|
Uitspraak
00/4689
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET DE GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 juli 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de correctienota's met betrekking tot de
jaren 1993 tot en met 1997 bevattende een naheffing inzake bovenmatige
verstrekte vergoedingen voor semafoonkosten, verstrekt door appellante
aan haar werknemers.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 juli 2000 het door
appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellante is P.H.A.M. Blokker RA, werkzaam bij Killaars Steeghs
Groep te Hoensbroek, op bij aanvullend beroepschrift van 13 november
2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 12 december 2000 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari
2003, waar voor appellante is verschenen H.J.M. Koeman, eveneens
werkzaam bij Killaars Steeghs Groep te Hoensbroek. Gedaagde heeft zich
bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of gedaagdes besluit
van 17 juli 1998 in rechte stand kan houden.
Naar aanleiding van een bij appellante door gedaagde gehouden
looncontrole heeft gedaagde correctienota's opgelegd over de jaren 1993
tot en met 1997, welke na bezwaar zijn gehandhaafd, aangezien gedaagde
van mening is dat de door appellante aan haar werknemers verstrekte
semafoonvergoeding van f 37,50 per week als bovenmatig moet worden
aangemerkt.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt genoten, loon vormt voor de premieheffing voor de
sociale werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste
lid, aanhef en onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het
loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te
strekken tot bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van de bepaling over onkosten ten
opzichte van de hoofdregel ligt het, zoals de rechtbank ook reeds heeft
overwogen, op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling,
aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet.
In deze bewijsvoering is appellante naar het oordeel van de Raad niet
geslaagd. De Raad heeft hierbij het volgende overwogen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als volgt overwogen
waarbij appellante is aangeduid als eiseres:
"De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres er
daarmee niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de betreffende
vaste vergoeding terzake van wachtdiensten ten bedrage van f 37,50 of f
25,-- per week strekt tot bestrijding van de kosten welke de werknemer
dient te maken voor de uitoefening van zijn werkzaamheden. De rechtbank
neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de looncontrole geconstateerd is
dat kosten als reiskosten en telefoonkosten reeds afzonderlijk vergoed
worden door eiseres en dat eventuele tijdens de wachtdienst genuttigde
maaltijden vergoed worden door eiseres.
Namens eiseres is verder aangevoerd dat in verband met extra
energiekosten een onbelaste vergoeding van f 2,50 per gewerkte
avonddienst mag worden verstrekt. Naar de rechtbank heeft de gemachtigde
van eiseres hierbij het oog op het besluit van de Sociale
Verzekeringsraad (SVR) van 24 november 1988, Stcrt. 1988, 234, waarbij de
SVR - in navolging van een brief van het Ministerie van Financiën van 4
oktober 1988, nr. DB88/5910 - heeft besloten vaste bedragen te hanteren
voor het vaststellen van de omvang van de extra kosten in verband met
onregelmatige diensten. Onder kosten van onregelmatige diensten verstaat
de SVR de extra kosten van verlichting, verwarming en maaltijden van de
onregelmatige of continue dienstwerker. De rechtbank overweegt
dienaangaande dat tijdens de looncontrole is geconstateerd dat de
betreffende werknemers niet elke dag van de week wachtdienst hadden en
namens eiseres bij schrijven van 27 januari 2000 is verklaard dat zij
niet wekelijks wachtdienst hadden, terwijl door eiseres een vaste
wekelijkse vergoeding werd verstrekt ongeacht het aantal wachtdiensten.
Er werd derhalve ook vergoeding verstrekt op dagen en/of weken dat voor
de betreffende werknemers geen sprake was van wachtdienst. De rechtbank
is dan ook van oordeel dat dit argument van eiseres geen doel treft.
Ten aanzien van de stelling dat in de verstrekte semafoonvergoeding een
bedrag voor verteerkosten is inbegrepen, verwijst de rechtbank naar
hetgeen hierboven reeds is overwogen met betrekking tot het feit dat de
werkzaamheden niet iedere dag van de week of niet wekelijks werden
verricht. Voorts werden, zoals reeds vermeld, maaltijden apart vergoed
wanneer de bon werd overgelegd.
Met betrekking tot de overgelegde grootboekkaarten, waarin de
uitbetaalde semafoonvergoedingen over de jaren 1992 tot en met 1996 zijn
verantwoord, overweegt de rechtbank dat enkel de vermelding in de
grootboekkaart niet aantoont dat de semafoonvergoeding strekt ter
bestrijding van de kosten welke de werknemer daadwerkelijk heeft gemaakt
in de uitoefening van de wachtdienst.
Bovenstaande doet de rechtbank concluderen dat eiseres onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekte vaste wekelijkse
semafoonvergoeding terzake van de wachtdienst betrekking heeft op de reële
onkosten die verband houden met de dienstbetrekking".
De Raad kan zich met dit onderdeel van de uitspraak verenigen. Ook in
hoger beroep heeft appellante op geen enkele wijze bewijs geleverd dat
er tegenover de door appellante verstrekte semafoonvergoeding
daadwerkelijk door de werknemer tijdens de wachtdiensten gemaakte kosten
staan ter hoogte van de vergoeding. De stelling van appellante in hoger
beroep, namelijk dat het geen wekelijkse vaste vergoeding betreft, maar
uitsluitend een vergoeding wanneer er wachtdiensten gedraaid worden,
brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het voorgaande geldt evenzeer
voor wat betreft de verwijzing naar het besluit van de SVR van 24
november 1988, Stcrt. 1988, 234.
Met het vorenstaande is gegeven dat het bestreden besluit in rechte
stand houdt. Daarmede is tevens gegeven dat het hoger beroep niet slaagt
en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste
lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|