|
Uitspraak
00/4692
CSV en 00/4695 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], en
[naam appellant], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 16 april 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen besluiten van 2 oktober 1998, waarbij zij
op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de door [bedrijfsnaam II]
onbetaald gelaten premies en boetes over de jaren 1995 tot en met 1997
tot een bedrag van f 103.580,50.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 21 juni 2000 de namens
appellanten tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellanten zijn bij gemachtigde mr. S.A. van der Sluis, advocaat te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 16 oktober
2000 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 november 2000,
ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30
januari 2003, waar voor appellanten is verschenen mr. Van der Sluis,
voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. R.P. Bourne, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant sub 2 was sedert 1 januari 1993 bestuurder van appellante sub
1, die op haar beurt vanaf 15 oktober 1993 bestuurder was van
[bedrijfsnaam II]. Appellante sub 1 was tevens enig aandeelhouder van
[bedrijfsnaam II]. [Bedrijfsnaam II] is bij vonnis van 4 februari 1997
failliet verklaard. Over 1995 tot en met 1997 heeft zij een bedrag van f
103.580,-- aan premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten en
opgelegde boetes op grond van de CSV onbetaald gelaten.
Gedaagde heeft appellanten op grond van artikel 16d van de CSV
hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het door [bedrijfsnaam II] niet
betaalde bedrag als hiervoor vermeld, appellant sub 2 in verband met het
bepaalde in artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder d, van de CSV.
Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat het niet
betalen van de premies en boetes het gevolg is geweest van aan
appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak gedaagde gevolgd in zijn
standpunt. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
"Lisv heeft onder meer de kwalificatie van onbehoorlijk bestuur van
[naam bedrijf] gebaseerd op de vaststelling van zijn looninspecteur dat
[bedrijf II] over de jaren 1994, 1995 en 1996 aan haar werknemer M.E.
Jonkman, naast diens loon, een nettobedrag van in totaal f 71.614,--
heeft uitgekeerd, zonder dit te verantwoorden in de administratie van
[bedrijf II].
Voormelde betalingen aan M.E. Jonkman over de jaren 1994, 1995 en 1996
worden door [naam bedrijf] niet betwist en evenmin is in geschil dat dit
bedrag door [bedrijf II] destijds niet in de loonadministratie is
verantwoord. Daarmee stelt de rechtbank vast dat in dit opzicht de
financiële administratie van [bedrijf II] niet op orde was. Weliswaar
heeft [naam bedrijf] in dit verband gesteld dat de administratie bij
[bedrijf II] wel deugdelijk is geweest, doch dat sprake is van overmacht
om dit aan te tonen, omdat de desbetreffende stukken zich bij de curator
bevinden. Dit betoog faalt, aangezien op geen enkele wijze is gebleken
dat er door [naam bedrijf] een poging is gedaan om deze stukken te
verkrijgen, zodat het ontbreken van deze stukken [naam bedrijf] kan
worden tegengeworpen.
Ten aanzien van de betaling in 1997 aan M.E. Jonkman, ten bedrag van f
70.000,-- vlak voor het faillissement, heeft Lisv gesteld dat deze
handeling ten koste is gegaan van het vermogen van [bedrijf II], hetgeen
onder de gegeven omstandigheden eveneens valt aan te merken als
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank kan
dit echter - wat hier ook zij - geen rol spelen bij de beoordeling van
de vraag hier in geding, omdat deze betaling geruime tijd na de melding
van de betalingsonmacht heeft plaatsgevonden en Lisv in die periode in
de gelegenheid was maatregelen hiertegen te ondernemen. Derhalve dient
dit bedrag buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling of in de
periode in geding sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Lisv heeft voorts kennelijk onbehoorlijk bestuur aangenomen op grond van
de door de looninspecteur geconstateerde omstandigheid dat [bedrijf II]
alleen in 1994 bedragen in rekening bracht bij [naam bedrijf] die
voldoende waren om de werkelijke kosten van [bedrijf II] te dekken, en
[bedrijf II] derhalve geen of onvoldoende kosten doorbelastte aan [naam
bedrijf].
De rechtbank stelt in dat kader in de eerste plaats vast dat [naam
bedrijf], als bestuurder van [bedrijf II] in de positie was om directe
invloed uit te oefenen op de facturering van [bedrijf II] aan haar
opdrachtgevers. [naam bedrijf] stelt voorts zelf dat zij de grootste
opdrachtgever van [bedrijf II] was en wel zodanig groot dat [bedrijf II]
vrijwel uitsluitend opdrachten van [naam bedrijf] kreeg. Tussen [naam
bedrijf] en [bedrijf II] is een managementovereenkomst gesloten waarbij
als basisvergoeding voor de door [bedrijf II] verrichte diensten een
bedrag van f 240.000,-- ex BTW ten laste van [naam bedrijf] is
vastgesteld. [naam bedrijf] betwist niet dat de werkzaamheden van
[bedrijf II] in ieder geval een waarde ter hoogte van de basisvergoeding
vertegenwoordigden. Volgens [naam bedrijf] werd door [bedrijf II]
melding gemaakt in geval er meerwerk was verricht, op grond waarvan deze
basisvergoeding werd verhoogd. Hiervan zijn ook volgens [naam bedrijf]
nacalculaties gemaakt en voorts hebben verrekeningen plaatsgevonden met
schadevergoedingen die [bedrijf II] verschuldigd was aan [naam bedrijf].
Uit de door [bedrijf II] ingediende, zich onder de gedingstukken
bevindende, facturen aan [naam bedrijf] worden echter, zonder
specificatie, diverse bedragen beneden de basisvergoeding gefactureerd
met de omschrijving "verrichte werkzaamheden", zodat niet
traceerbaar is of [bedrijf II] een reële vergoeding heeft ontvangen
voor de door haar ten behoeve van [naam bedrijf] verrichte
werkzaamheden. [naam bedrijf] erkent echter dat de aan [naam bedrijf]
doorbelaste bedragen in 1995 en 1996 geen gelijke tred hielden met de
werkelijke kosten van [bedrijf II]. Naar [naam bedrijf] ter zitting
heeft aangegeven, kan zij, behoudens voormelde - eveneens niet nader
gespecificeerde - nacalculaties, geen bescheiden overleggen waaruit
blijkt hoe, en op grond waarvan, de gefactureerde bedragen tot stand
zijn gekomen. [naam bedrijf] heeft in dit verband slechts gesteld dat de
vorderingen van [bedrijf II] in 1995 en 1996 gedeeltelijk zijn verrekend
met daar tegenoverstaande vorderingen van [naam bedrijf] op [bedrijf
II], wegens schade door wanprestatie van [bedrijf II]. De opdrachtgevers
van [naam bedrijf] hebben haar immers aansprakelijk gesteld voor schade
door onvolkomen producten van [bedrijf II] en de schade werd door die
opdrachtgevers reeds met de facturen van [naam bedrijf] verrekend.
Thans nog daargelaten of [naam bedrijf] op goede gronden de bij haar
gelegde claims direct kon doorbelasten aan [bedrijf II], is de rechtbank
niet gebleken van het bestaan of een deugdelijke onderbouwing van de
gestelde tegenvorderingen van [naam bedrijf] op [bedrijf II], althans
uit de door [bedrijf II] gevoerde boekhouding blijkt hiervan niet. Dat
[bedrijf II] door deze verrekeningen derhalve gehouden was aan [naam
bedrijf] lagere bedragen in rekening te brengen dan de bedragen die op
grond van de verrichte werkzaamheden konden worden gefactureerd, is
derhalve een stelling die onvoldoende is onderbouwd. Een andere,
deugdelijke verklaring op grond waarvan [bedrijf II] lager dan de
overeengekomen vergoeding aan [naam bedrijf] diende te factureren is
door [naam bedrijf] niet gegeven en blijkt evenmin uit de gedingstukken,
zodat Lisv terecht heeft aangenomen dat sprake was van kennelijk
onbehoorlijk bestuur bij [bedrijf II].
Voorts heeft [bedrijf II] eind 1994 dividend uitgekeerd aan [naam
bedrijf] ten bedrage van f 124.711,--. Het eigen vermogen van [bedrijf
II] bedroeg in die tijd f 145.656,--, terwijl er toen sprake was van een
belastingschuld van f 379.657,--. [naam bedrijf] stelt in dit verband
dat de dividenduitkering bestemd was om de rekening-courantverhouding
met de enig aandeelhouder ([naam bedrijf] zelf) met dit bedrag terug te
laten lopen en voorts dat ook na deze dividenduitkering het vermogen van
[bedrijf II] nog positief is gebleven.
De rechtbank kan [naam bedrijf] hierin niet volgen. Het uitkeren van
dividend aan [naam bedrijf] heeft de liquiditeit en solvabiliteit van
[bedrijf II] uitgehold op een moment dat er een grote belastingschuld
was, die na de uitkering niet meer kon worden voldaan, hetgeen niet
anders dan als kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden gekwalificeerd.
[naam bedrijf] heeft in dit verband nog gesteld dat het besluit om
dividend uit te keren een besluit is geweest van de vergadering van
aandeelhouders en niet van de bestuurder. Dit neemt echter niet weg dat
[naam bedrijf], daar waar zij zowel de enig bestuurder als de enig
aandeelhouder is, bij besluiten die zij heeft genomen in haar
hoedanigheid van (enig) aandeelhouder van [bedrijf II], niet ontslagen
is van haar verplichting om als bestuurder de belangen van [bedrijf II]
naar behoren te behartigen.".
Appellanten kunnen zich hiermee niet verenigen. Naar hun mening is er
geen ondeugdelijke financiële administratie gevoerd. In dat verband
hebben zij gesteld dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel niet
heeft betrokken dat het aan M.E. Jonkman uitgekeerde bedrag van f
71.614,-- later alsnog in de administratie is verantwoord en dat over
dat bedrag ook belastingafdracht heeft plaatsgevonden. Voorts hebben
appellanten gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat
de vorderingen van appellante sub 1 op [bedrijf II] niet deugdelijk
onderbouwd zijn. Op grond van de tussen appellante sub 1 en [bedrijf II]
gesloten managementovereenkomst van 1994 was [bedrijf II] door
appellante sub 1 ingeschakeld voor het ontwikkelen van software, het
begeleiden van projecten, het implementeren van softwarepakketten en het
produceren en installeren van hardware. De kwaliteit van deze
werkzaamheden was dermate slecht dat in veel gevallen betaling aan
appellante sub 1 door opdrachtgevers werd geweigerd. Appellante sub 1
zag zich dan ook genoodzaakt de bij haar neergelegde claims door te
belasten aan [bedrijfsnaam II] De rechtbank is volledig voorbijgegaan
aan de stelling van appellanten dat de tekortkomingen van [bedrijfsnaam
II] onder meer zijn ontstaan door ingewikkelde software, waarmee het
personeel niet vertrouwd was en een gebrekkige motivatie van het
personeel. Deze tekortkomingen kunnen naar de mening van appellanten in
redelijkheid niet aan hen worden verweten. Met betrekking tot de
dividenduitkering hebben appellanten erop gewezen dat hiertoe de
aandeelhoudersvergadering had besloten. Met deze uitkering is de
rekening-courantverhouding van de vorige aandeelhouder overgenomen. Er
is derhalve geen geld gestort naar enige aandeelhouder en het eigen
vermogen is door deze uitkering positief gebleven. De belastingschuld
kon derhalve ook na de dividenduitkering worden voldaan. Ten tijde van
de dividenduitkering waren er evenmin aanwijzingen dat [bedrijfsnaam II]
in betalingsmoeilijkheden zou verkeren. Ter zitting van de Raad is
namens appellanten ook nog gewezen op het bepaalde in artikel 2:216,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Al met al achten appellanten de
overwegingen van de rechtbank over de dividenduitkering onbegrijpelijk.
Ter zitting van de Raad hebben appellanten bovendien nog een beroep
gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uitgaande van
de melding van betalingsonmacht in juni 1996 moet in hun visie thans
worden geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in deze
verdragbepaling is overschreden. Naar hun mening dient deze
termijnoverschrijding gevolgen te hebben voor het uiteindelijk door hen
te betalen bedrag.
De Raad is evenwel van oordeel dat de grieven van appellanten niet
slagen en overweegt daartoe het volgende.
Dat M.E. Jonkman, zoals uit het in eerste aanleg ingediende aanvullend
beroepschrift blijkt, zelf alsnog over het niet in de loonadministratie
van [bedrijfsnaam II] ontvangen bedrag belasting heeft afgedragen,
betekent niet dat het oordeel waartoe de rechtbank hieromtrent is
gekomen, voor onjuist moet worden gehouden. Het gaat te dezen immers
over niet aan gedaagde afgedragen premies.
Voorts hebben appellanten er de Raad bepaald niet van kunnen overtuigen
dat [bedrijfsnaam II] de werkelijk door haar gemaakte kosten in rekening
bracht, dan wel doorbelastte bij appellante sub 1. Niet valt in te zien
waarom aan het door appellante gestelde omtrent de inzet van het
personeel van [bedrijfsnaam II], in dit verband enige betekenis moet
worden toegekend. De Raad tekent hierbij aan dat het tot de
verantwoordelijkheid van appellanten als bestuurders behoorde om erop
toe te zien dat het personeel van [bedrijfsnaam II] voldoende
gekwalificeerd en gemotiveerd was voor de aan hen opgedragen
werkzaamheden.
Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat het vorenstaande
onvoldoende grond vormt voor de aanname van gedaagde dat er sprake is
geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur, is hiervan zeker sprake
geweest met betrekking tot de dividenduitkering. Zoals blijkt uit het
zich onder de gedingstukken bevindende en door appellanten niet
bestreden rapport van de belastingdienst, gedateerd 16 juni 1997,
bedroeg de winst na belastingen van [bedrijfsnaam II] in 1994 f
27.711,--. Door eind 1994 een dividenduitkering te doen aan appellante
sub 1 daalde het eigen vermogen van [bedrijfsnaam II] met f 124.711,--
naar f 945,--. Op dat moment had [bedrijfsnaam II] een belastingschuld
van f 379.657,--. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het doen
van deze dividenduitkering niet anders kan worden gekwalificeerd dan als
kennelijk onbehoorlijk bestuur, waarvoor appellanten de
verantwoordelijkheid dragen. Als bestuurders hadden zij met het oog op
de liquiditeit en solvabiliteit van [bedrijfsnaam II] hieraan niet mogen
meewerken. Met betrekking tot de stelling van appellanten dat ten tijde
van de dividenduitkering de belastingschuld kon worden voldaan, merkt de
Raad op dat gesteld, noch gebleken is dat deze schuld ook daadwerkelijk
is voldaan.
De Raad deelt niet de mening van appellanten dat de redelijke termijn
van artikel 6 EVRM is overschreden. Anders dan appellanten gaat de Raad
bij de bepaling van de aanvang van deze termijn niet uit van het moment
waarop de betalingsonmacht is gemeld, doch van het moment waarop
appellanten bezwaarschriften hebben ingediend tegen de
aansprakelijkstellingen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|