|
Uitspraak
00/4818
CSV en 02/6173 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de correctienota's met betrekking tot de
jaren 1993 tot en met 1998, bevattende een naheffing inzake bovenmatige
onkostenvergoedingen ter zake van bewassingskosten van kleding,
verstrekt door appellante aan haar werknemers.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 juli 2000 het
door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat gedaagde met
inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen, gedaagde
veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het door
appellante gestorte griffierecht dient te worden vergoed.
Namens appellante is J. Altena, werkzaam bij Deloitte & Touche te
Enschede, op bij aanvullend beroepschrift van 14 december 2000 (met
bijlagen), aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij
de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 13 februari 2001 van verweer gediend.
Bij brief van 9 december 2002 heeft gedaagde de Raad doen toekomen zijn
besluit van 7 september 2000, waarbij gedaagde heeft besloten dat de
correctienota's over de jaren 1993 tot en met 1997 dienen te worden
gecorrigeerd voor zover het bedrag van de kledingvergoeding uitgaat
boven f 3,80 per week.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari
2003, waar voor appellante is verschenen W.M. van der Heijden, voormalig
directeur van appellante, alsmede J. Altena, voornoemd. Gedaagde heeft
zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M.
Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante houdt zich bezig met de aanleg van technische infrastructuur,
waarbij veelal langs de openbare weg wordt gewerkt. Tot de werkzaamheden
behoren onder meer het graven van sleuven, het leggen van kabels,
werkzaamheden aan verkeersinstallaties, openbare verlichting en centrale
antenne-installaties. Vanwege het feit dat de werknemers gelet op de
plaats van de werkzaamheden in aanraking komen met vuil en allerlei
weersomstandigheden, heeft appellante aan haar werknemers
bedrijfskleding ter beschikking gesteld. Daarnaast heeft zij aan haar
werknemers een onkostenvergoeding verstrekt ten bedrage van f 1,75 per
dag ter zake van de extra kosten voor het wassen/reinigen van de kleding
(kledingvergoeding). Ter onderbouwing van de hoogte van deze
kledingvergoeding is tijdens de bezwaarprocedure zijdens appellante
gewezen op een informatieblad van het NIBUD inzake was-, douche- en
badkosten, gedateerd juli 1997, waarbij, uitgaande van twee wasbeurten
per week (inclusief drogen alsmede rekening houdend met extra
kledingslijtage), de kosten worden begroot op f 8,75, zijnde f 1,75 per
dag.
Als uitvloeisel van een door gedaagde bij appellante gehouden
looncontrole heeft gedaagde correctienota's opgelegd over de jaren 1993
tot en met 1997, welke na bezwaar zijn gehandhaafd, aangezien gedaagde
van mening is dat de door appellante verstrekte kledingvergoeding, zoals
hiervoor genoemd, als bovenmatig moet worden aangemerkt. Gedaagde heeft
over de bovenmatige betalingen, na brutering alsnog premies ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten vastgesteld.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank
ingesteld en heeft ter zitting van de rechtbank aangegeven dat de
vergoeding niet alleen betrekking heeft op kosten van
bewassing/reiniging maar tevens bedoeld is voor kleine, andere uitgaven.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard onder vernietiging van dit besluit, aangezien appellante naar
het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat van de door
haar verstrekte kledingvergoeding een bedrag tot f 3,80 per week, strekt
tot bestrijding van de kosten tot verwerving van loon, zodat dit deel
van de vergoeding ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), moet worden geacht
niet tot het loon te behoren.
Het hoger beroep van de zijde van appellante strekt er toe dat de
aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden aangezien appellante de
mening is toegedaan dat het aannemelijk is dat de aard van de
werkzaamheden extra kosten meebrengt zoals extra wasbeurten en tevens
dat de rechtbank niet is ingegaan op haar standpunt dat de
kledingvergoeding ook betrekking heeft op andere kosten zoals kleine
verteringen op het werk, waaronder dient te worden verstaan, koffie, een
warme hap en kosten van toiletbezoek. Appellante is van mening dat de
gehele door haar verstrekte kledingvergoeding van f 1,75 per gewerkte
dag redelijk is, zodat deze niet als bovenmatig valt aan te merken.
Gedaagde heeft in de uitspraak van de rechtbank berust. Hangende het
hoger beroep heeft gedaagde ter uitvoering van deze uitspraak van de
rechtbank bij besluit van 7 september 2000 appellante meegedeeld dat
appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een kledingvergoeding
van f 3,80 per week voor het reinigen van werkkleding reëel is, zodat
in die zin de correctienota's over de jaren 1993 tot en met 1997
aangepast dienen te worden, waarbij er gecorrigeerd wordt over het
gedeelte van de kledingvergoeding dat uitgaat boven f 3,80 per week.
Tevens is meegedeeld dat de correctienota over het jaar 1998 ten aanzien
van de niet verhaalde loonheffing aangepast zal worden aan de herziene
correcties over de jaren 1993 tot en met 1997.
In verweer in hoger beroep heeft gedaagde naar voren gebracht dat de
door appellante ter zitting van de rechtbank ingenomen stelling dat de
"vergoeding werkkleding" ook ziet op andere kosten dan die van
bewassing als tardief moet worden beschouwd. Tevens heeft gedaagde
hierbij aangegeven dat de door appellante verstrekte vergoeding, gelet
ook op de door haar zelf gegeven benaming "vergoeding
werkkleding" ondubbelzinnig en niet voor meerdere uitleg vatbaar
is. Daarnaast heeft gedaagde opgemerkt dat door appellante niet
aannemelijk is gemaakt dat de vergoedingen dienen ter bestrijding van
onkosten noch dat er een verband bestaat tussen de hoogte van de
verstrekte vergoedingen en de daadwerkelijk gemaakte kosten.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst stelt de Raad vast dat in verband met het bepaalde in artikel
6:24, eerste lid, in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroep van appellante geacht
moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2000.
Voorts stelt de Raad vast dat gedaagde met het besluit van 7 september
2002 gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante.
Het besluit van 7 september 2000 brengt mee dat in hoger beroep nog in
geschil is de vraag of gedaagde op juiste gronden correcties over de
jaren 1993 tot en met 1997 worden toegepast voor zover uitgaande boven
het bedrag van f 3,80 per week.
Mede gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer
heeft bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit van 30
maart 1999. Appellante dient dan ook niet-ontvankelijk te worden
verklaard in zijn hoger beroep wegens het vervallen van een
procesbelang.
Met betrekking tot het besluit van 7 september 2000 overweegt de Raad
dat ingevolge de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten,
loon vormt voor de premieheffing voor de sociale
werknemersverzekeringswetten. Een uitzondering hierop wordt onder meer
gemaakt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV, waarin
is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij
geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van de bepaling over onkosten ten
opzichte van de hoofdregel, ligt het op de weg van degene die een beroep
doet op deze bepaling, namelijk appellante, aannemelijk te maken dat
deze uitzondering zich voordoet.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante zich tijdens de looncontrole
alsmede tijdens de besluitvorming van gedaagde tot aan het moment van de
zitting bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat de door haar
verstrekte vergoeding uitsluitend was ingegeven doordat de werkzaamheden
extra kosten voor de werknemers meebrengen in de vorm van
bewassingskosten (inclusief drogen en slijtage). Het voorgaande moge
tevens blijken uit het feit dat appellante ter staving van haar
standpunt tijdens de bezwaarprocedure heeft verwezen naar een
informatieblad van het NIBUD. Eerst ter zitting van de rechtbank heeft
appellante haar mening hieromtrent bijgesteld in die zin dat de
vergoeding niet alleen zou betreffen bewassing maar ook andere kleine
uitgaven.
De Raad is van oordeel dat ter zake van de bewijsvoering die ten
grondslag ligt aan artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV
zoals hiervoor omschreven, appellante aannemelijk dient te maken dat de
door haar verstrekte onkostenvergoeding dient te strekken ter dekking
van reële kosten. Het staat appellante in dat verband niet (meer) vrij
om, zoals in casu, eerst tijdens de beroepsprocedure het karakter van de
vergoeding te wijzigen, te minder omdat reeds bij de looncontrole door
haar middels specificaties aannemelijk gemaakt had dienen te worden tot
dekking van welke kosten de vergoeding dient. Nu appellante zich bij de
looncontrole op het standpunt heeft gesteld dat de vergoeding diende ter
dekking van bewassingskosten, is het naar het oordeel van de Raad niet
toelaatbaar dat appellante haar standpunt met betrekking tot het doel
van de onkostenvergoeding, zoals dit is geschied ter zitting van de
rechtbank en in hoger beroep, nog kan wijzigen.
Voorts is de Raad van oordeel dat appellante voor wat betreft de
kledingvergoeding inzake bewassingskosten voor zover deze de f 3,80 te
boven gaat, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat deze
vergoeding volledig ter dekking van reële kosten heeft gestrekt. Uit
het door het bestuursorgaan verrichte onderzoek is in het geheel niet
verifieerbaar en controleerbaar gebleken aan de hand van beschikbare
gegevens of de werknemers daadwerkelijk kosten hebben gemaakt en, zo ja,
of deze kosten aanvaardbaar zijn.
Hieruit volgt dat het beroep tegen het besluit van 7 september 2000 niet
slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart appellante niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 september 2000
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste
lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|