|
Uitspraak
00/5099
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 12 mei 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen besluiten van 22 december 1998 en 28
december 1998, inhoudende correctienota's over de jaren 1993 tot en met
1995, onderscheidenlijk de registratie van een administratief verzuim en
boetenota's over de jaren 1993 tot en met 1995.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 11 augustus 2000 het namens
gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van
gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde
griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 22 februari 2001
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 18 april
2001, ingediend.
Bij brief van 23 januari 2003 zijn namens gedaagde nog nadere stukken
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 februari
2003, waar voor appellant is verschenen mr. M.A. Koenders, werkzaam bij
het Uwv, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. H.A. van Oirschot-van
Aerle, werkzaam bij BDO Walgemoed CampsObers, Accountants en Adviseurs,
te Amstelveen, [naam hoofd salarisadministratie], hoofd
salarisadministratie, [naam manager], manager P&O, en [naam hoofd
boekhouding], hoofd boekhouding.
II. MOTIVERING
Bij gedaagde is op 9 april 1998 een looncontrole gehouden over de jaren
1993 tot en met 1995, waarvan op 21 april 1998 een rapport is opgemaakt.
Blijkens dit rapport verstrekt gedaagde aan haar ambulante werknemers
voor de dagen dat deze werknemers buiten de onderneming werkzaam zijn,
een lunchkostenvergoeding van f 27,--, waarvan f 6,-- tot het loon werd
gerekend. De looninspecteur achtte voor de vrachtwagenchauffeurs van
gedaagde een vergoeding van f 10,-- acceptabel, omdat zulks overeenstemt
met de vergoeding die in het beroepsgoederenvervoer pleegt te worden
verstrekt. Ten aanzien van de commerciële werknemers van gedaagde
achtte de inspecteur een lunchkostenvergoeding van f 15,-- per dag
acceptabel. In zijn rapport heeft de inspecteur opgemerkt dat, indien
gedaagde van mening is dat f 15,-- per dag niet toereikend is, gedaagde
de gelegenheid krijgt om aan te tonen dat de vergoeding hoger dient te
zijn, bijvoorbeeld door minimaal 50% van de werknemers gedurende een
periode van zes maanden bonnetjes te laten bewaren.
Naar aanleiding van de aankondiging van appellant dat in verband met de
deels bovenmatig verstrekte lunchvergoedingen correctie- en boetenota's
zullen worden opgelegd, alsmede een verzuim zal worden geregistreerd,
heeft gedaagde appellant bij brief van 4 november 1998 laten weten dat
zij ervan afziet de lunchkostenvergoedingen te onderbouwen op een wijze
als door de looninspecteur is aangegeven, en dat zij er de voorkeur aan
geeft deze vergoedingen te onderbouwen met de in het verleden met de
belastingdienst gemaakte afspraken. Daarbij heeft zij erop gewezen dat
blijkens haar aantekeningen van een boekenonderzoek door de
belastingdienst in 1977 een onbelaste vergoeding van f 21,-- per dag is
geaccepteerd, welke vergoeding overeenkomt met de voor ambulante
ambtenaren geldende vergoeding. Voorts heeft zij er in deze brief op
gewezen dat blijkbaar destijds deze vergoeding ook is geaccepteerd door
de toenmalige bedrijfsvereniging, waarbij zij was aangesloten. Tevens
heeft zij erop gewezen dat de belastingdienst bij een boekencontrole
over de jaren 1988 tot en met 1992 de vergoeding wederom heeft
geaccepteerd.
In reactie op de brief van gedaagde van 4 november 1998 heeft de
betrokken looninspecteur in een rapportage van 2 december 1998 onder
meer vermeld dat, nog afgezien dat appellant niet is gebonden aan
afspraken tussen gedaagde en de belastingdienst, niet is komen vast te
staan dat de belastingdienst in 1992 of 1993 een afschrift van haar
rapport heeft toegezonden. In de archieven is bedoeld rapport niet te
traceren. Tevens heeft hij te kennen gegeven dat naar zijn mening
ambtenaren geen vergelijkbare groep vormen met de ambulante werknemers
van gedaagde.
Vervolgens heeft appellant gedaagde doen toekomen correctie- en
boetenota's over de jaren 1993 tot en met 1995, alsmede de registratie
van een administratief verzuim. Bij zijn in rubriek I vermelde besluit
van 12 mei 1999 heeft appellant geen aanleiding gezien om hiervan terug
te komen.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als
verweerder en gedaagde als eiseres, heeft de rechtbank het volgende
overwogen:
"2.4. De door eiseres overgelegde stukken bieden naar het oordeel
van de rechtbank onvoldoende steun voor de stelling van eiseres dat de
belastingdienst de hoogte van de vergoeding in 1977 (en in latere jaren)
uitdrukkelijk heeft geaccordeerd. Eiseres heeft hieromtrent immers geen
enkel van de belastingdienst afkomstig document in het geding gebracht.
Evenmin heeft eiseres stukken overgelegd, afkomstig van verweerders
rechtsvoorganger, betreffende eerder gehouden onderzoeken of
looncontroles, op grond waarvan eiseres er op mocht vertrouwen dat
verweerder met de hoogte van de kostenvergoeding instemde.
Aan de andere kant moet worden geconstateerd dat verweerder geen navraag
heeft gedaan bij de belastingdienst. Het had op de weg van verweerder
gelegen over de in geding zijnde vergoedingen in de bezwaarfase met die
dienst contact op te nemen, in aanmerking genomen de stellingen van
eiseres op dit punt, mede gezien de zeer lange periode gedurende welke
de belastingdienst tegen de kostenvergoeding kennelijk geen bezwaar
heeft gemaakt. Daaraan doet niet af dat verweerder ten aanzien van de
premieheffing een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet is gebonden
aan het standpunt van de belastingdienst.
Voorts heeft verweerder geen stukken overgelegd terzake van eerder bij
eiseres uitgevoerde boekenonderzoeken of looncontroles en van de door
eiseres genoemde premiecorrectie in 1977. Overigens is niet gebleken dat
verweerder hiernaar in de bezwaarfase enig onderzoek heeft gedaan. De
rechtbank is van oordeel dat verweerder ook in dit opzicht is
tekortgeschoten bij de voorbereiding van het bestreden besluit. In dit
verband is van belang dat eiseres ook van de zijde van verweerder
gedurende een reeks van jaren kennelijk geen opmerkingen heeft ontvangen
over de hoogte van de kostenvergoeding. De rechtbank tekent bij het
voorafgaande aan dat de bezwaarfase bij uitstek de gelegenheid vormt
voor het verrichten van (nader) feitenonderzoek.
Het bestreden besluit is derhalve niet met de nodige zorgvuldigheid
voorbereid.
2.5. De rechtbank gaat vervolgens in op de standpunten van partijen
betreffende de aanvaardbaarheid van de (hoogte van) de kostenvergoeding.
Tot het loon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering, behoren krachtens artikel 6 van die wet niet
vergoedingen voorzover deze geacht kunnen worden te strekken tot
verwerving van loon.
Voor premieheffing over een verleende onkostenvergoeding is pas plaats
indien vast komt te staan dat de onkostenvergoeding naar objectieve
maatstaven niet kan strekken tot vergoeding van de kosten die door de
uitoefening van de dienstbetrekking noodzakelijkerwijs moeten worden
gemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier niet voor.
Het gaat hier om een vergoeding die uitsluitend is verstrekt aan
buitendienstmedewerkers voor die dagen waarop zij daadwerkelijk onderweg
zijn geweest en die strekt tot vergoeding van lunchkosten en overige
kosten van consumpties "onderweg" (koffie, thee, e.d.). Ook
indien rekening wordt gehouden met de voor deze werknemers optredende
kostenbesparing, staat voor de rechtbank niet vast dat een vergoeding
van f 21,-- objectief beschouwd te hoog is in verhouding met het doel
waarvoor deze vergoeding is bestemd.
Eiseres heeft zich in dit verband niet ten onrechte beroepen op de voor
ambtenaren geldende vergoedingen voor lunch- en andere verblijfkosten.
Weliswaar gaat het hier - zoals verweerder op zichzelf terecht heeft
overwogen - om een andere categorie werknemers, maar ook voor die
werknemers geldt dat een onkostenvergoeding als de onderhavige naar
objectieve maatstaven moet worden beoordeeld. Aldus beschouwd is er geen
grond voor het standpunt dat een lunch- en verblijfskostenvergoeding
voor commerciële medewerkers in betekende mate zou kunnen of moeten
afwijken van die van de (gemiddelde) ambtenaar. Overigens geldt voor
ambtenaren krachtens hun rechtspositieregelingen voor de kosten van een
lunch en van kleine consumpties overdag in totaal een hogere vergoeding
dan het in geding zijnde bedrag van f 21,--.
Gezien het voorafgaande ziet de rechtbank onvoldoende grondslag voor het
standpunt van verweerder dat de in geding zijnde vergoeding tot een
bedrag van f 6,-- bovenmatig is. Het bestreden besluit berust derhalve
niet op een deugdelijke motivering.
Daaruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres niet of niet
op juiste wijze heeft voldaan aan haar loonopgaveverplichting. Het
bestreden besluit berust derhalve ook wat betreft de handhaving van de
boetenota's niet op een deugdelijke motivering.
2.6. Gelet op het voorafgaande komt het bestreden besluit voor
vernietiging in aanmerking. Het beroep van eiseres is gegrond."
Appellant kan zich hiermede niet verenigen. Daartoe is van die zijde
naar voren gebracht dat zij niet gebonden is aan eventuele afspraken
tussen gedaagde en de belastingdienst, dat gedaagde niet, dan wel in
onvoldoende mate heeft aangetoond dat deze afspraken inderdaad zijn
gemaakt, en dat ook overigens niet is komen vast te staan dat in het
verleden de lunchkostenvergoeding heeft beoordeeld dan wel daarmee heeft
ingestemd. Voorts heeft appellant erop gewezen dat een werkgever die een
onkostenvergoeding verstrekt, dient aan te tonen dat die vergoeding
strekt ter dekking van reële kosten. Naar de mening van appellant heeft
de rechtbank dit miskend. Hier komt nog bij dat gedaagde om haar
moverende redenen ervan heeft afgezien zulks aan te tonen. Tevens heeft
appellant aangevoerd dat voor een vergelijking met de voor ambtenaren
geldende lunchkostenvergoeding pas plaats is indien een werkgever
inzicht kan verschaffen in doel, bestemming, aanvangstijdstip en einde
van de gemaakte reizen. Ook dit inzicht is door gedaagde niet verschaft.
Gedaagde heeft gewezen op correspondentie met de belastingdienst. Zij
meent dat zij daarmee voldoende heeft aangetoond dat de door haar
verstrekte vergoeding strekt ter dekking van reële kosten. Voorts is
zij van mening dat appellant op de hoogte was van het standpunt van de
belastingdienst, nu zij op basis van een rapport van de belastingdienst
in 1977 een correctie heeft opgelegd.
De Raad overweegt dienaangaande allereerst dat, naar gedaagde te zijner
zitting desgevraagd heeft verklaard, al in beroep niet meer in geschil
was de lunchkostenvergoeding voorzover verstrekt aan haar chauffeurs.
Het gaat uitsluitend om deze vergoeding voorzover verstrekt aan haar
commerciële werknemers.
De Raad overweegt voorts dat artikel 6, eerste lid, onder k, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering een uitzondering vormt op de in artikel 4, eerste
lid, van die wet vervatte regel dat loon is al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt genoten, en dat het op de weg van de werkgever
ligt de feiten en omstandigheden die tot toepassing van die uitzondering
kunnen leiden, aannemelijk te maken. In aanmerking nemende dat gedaagde
om haar moverende redenen van het aanbod om gedurende een periode van
zes maanden de door haar medewerkers gemaakte kosten te inventariseren
geen gebruik heeft gemaakt, moet de Raad vaststellen dat gedaagde feiten
en omstandigheden als evenbedoeld niet heeft aangedragen. Feiten en
omstandigheden als hier bedoeld kunnen niet gelegen zijn in met de
belastingdienst gemaakte afspraken, omdat appellant daaraan niet
gebonden is. Overigens is niet kunnen blijken dat de belastingdienst al
vanaf 1977 de door gedaagde verstrekte lunchkostenvergoeding heeft
geaccepteerd. Evenmin is gebleken dat appellant deze vergoeding in het
verleden al dan niet op basis van een rapport van de belastingdienst
heeft beoordeeld. Bovendien is een schriftelijke, ondubbelzinnige
toezegging van de kant van appellant nimmer gedaan. Gelet op zijn
uitspraak van 25 oktober 1989, RSV 1990/225, verenigt de Raad zich met
betrekking tot de door gedaagde gemaakte vergelijking met voor
ambtenaren geldende regels met het daaromtrent door appellant
aangevoerde.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en
het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste
lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|