|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/5149 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (België), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 26 mei 1998 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 2 oktober 1997, waarbij zij
op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam bedrijf]
verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale
werknemersverzekeringswetten over 1994, zulks ten bedrage van f
75.654,96.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 augustus 2000 het
namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd, bepaald dat appellant met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen,
appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat
appellant het gestorte griffierecht aan gedaagde vergoedt.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 23
januari 2001 van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. R.A.C.M. van Dijk, advocaat te Bergen op Zoom,
een verweerschrift, gedateerd 14 juni 2001, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari
2003, waar voor appellant is verschenen mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij
het Uwv, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. Van Dijk, voornoemd,
en R.E. Dehnert.
II. MOTIVERING
Gedaagde was vanaf 15 september 1992 enig bestuurder van [naam bedrijf]
te Lienden (hierna: de vennootschap). Bij brief van 31 oktober 1994
heeft appellant de vennootschap laten weten dat in verband met een
betalingsachterstand met betrekking tot de afdracht van premies voor de
sociale werknemersverzekeringswetten een dwangbevel is uitgevaardigd.
Bij deze brief is de vennootschap erop gewezen dat, voorzover zij niet
in staat is deze premies te betalen, zij de betalingsonmacht dient te
melden. Daarbij is zij in de gelegenheid gesteld eventuele
betalingsonmacht binnen veertien dagen te melden.
Op 2 november 1994 is de vennootschap in staat van faillissement
verklaard. Naar aanleiding hiervan heeft appellant onderzocht de
mogelijkheid om gedaagde op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk
aansprakelijk te stellen voor de door de vennootschap niet betaalde
premies. Het onderzoek heeft bestaan uit het inwinnen van inlichtingen
bij de curator in het faillissement van de vennootschap. Van de curator
heeft appellant drie faillissementsverslagen ontvangen, alsmede een
onderzoeksrapport van een aan het kantoor van de curator verbonden
financieel-juridisch medewerker die de administratie van de vennootschap
heeft gecontroleerd. Vervolgens heeft appellant gedaagde bij brief van
20 augustus 1997 in kennis gesteld van zijn voornemen haar aansprakelijk
te stellen voor de premieschuld van de vennootschap. Daarbij heeft
appellant gesteld dat, nu geen reactie is gekomen op de brief van 31
oktober 1994, ten aanzien van haar als bestuurder het wettelijk
vermoeden geldt dat de niet-betaling het gevolg is van aan haar te
wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, welk vermoeden zij slechts kan
weerleggen indien zij aannemelijk maakt dat het niet aan haar is te
wijten dat de betalingsonmacht niet is gemeld.
Bij brief van 10 september 1997 heeft gedaagde gereageerd op het in de
brief van 20 augustus 1997 vervatte voornemen. Daarbij heeft zij
uiteengezet dat de vennootschap in samenwerking met een stoffeerder
bankstellen leverde voor een opdrachtgever in Duitsland. De
opdrachtgever in Duitsland leverde de materialen voor de bankstellen. De
vennootschap hield zich bezig met het stikken van de hoezen van de
bankstellen. De betalingsachterstand en uiteindelijk het faillissement
zijn in de visie van gedaagde veroorzaakt doordat de stoffeerder zijn
verplichtingen niet nakwam zowel ten opzicht van de in Duitsland
gevestigde opdrachtgever als ten opzichte van de vennootschap. Op een
gegeven moment leverde de stoffeerder de bankstellen zelfs rechtstreeks
aan de klanten van de opdrachtgever.
Bij besluit van 2 oktober 1997 heeft appellant gedaagde hoofdelijk
aansprakelijk gesteld voor de niet-betaling van de premies door de
vennootschap. Daarbij heeft appellant overwogen dat de omstandigheid dat
de vennootschap niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan,
niet aan gedaagde te wijten is. Voorts heeft appellant overwogen dat hij
uit de reactie van gedaagde niet geheel heeft kunnen opmaken welke
oordzaak er nu precies ten grondslag ligt aan de niet-betaling van de
premies. Bij zijn besluit van 26 mei 1998 heeft appellant de
aansprakelijkstelling van gedaagde gehandhaafd. Daarbij heeft appellant
aangegeven dat, gelet op de brief van 31 oktober 1994, het niet aan
gedaagde te wijten is dat niet tijdig aan de mededelingsverplichting is
voldaan. Vervolgens heeft appellant overwogen dat naar zijn mening
zonder twijfel sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is
aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, het volgende
overwogen:
"De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder de namens [naam
vennootschap] gedane mededeling omtrent de betalingsonmacht rechtsgeldig
heeft geacht, zodat het aan verweerder is om aan te tonen dat het niet
betalen van de premies het gevolg is van aan eiseres te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur.
Vast staat dat verweerder zich bij de voorbereiding van het bestreden
besluit uitsluitend heeft gebaseerd op de door de curator opgestelde
faillissementsrapporten. Blijkens deze rapporten is de administratie van
[naam vennootschap] tot 30 juni 1994 deugdelijk bijgehouden en ontbreekt
een belangrijk deel van de administratie over de periode van juli 1994
tot en met augustus 1994, waarnaar volgens de curator een diepgaand
onderzoek verricht dient te worden. Niet gebleken is echter dat
verweerder enig nader onderzoek heeft verricht. Naar het oordeel van de
rechtbank bieden de door de curator opgestelde faillissementsrapporten
onvoldoende basis voor verweerders stelling dat het door [naam
vennootschap] onbetaald laten van de premies het gevolg is van aan
eiseres te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De door de curator
gesignaleerde feiten rechtvaardigen weliswaar de conclusie dat het in
korte tijd radicaal mis is gegaan bij [naam vennootschap], de vraag of
(en zo ja, in hoeverre) het gebeurde eiseres is verwijten valt is niet
zonder nader onderzoek te beantwoorden.
Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met het
zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd te worden en het beroep van eiseres
dient gegrond te worden verklaard."
Appellant kan zich met het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen niet
verenigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat naar zijn mening in dit
geval geen sprake is geweest van een rechtsgeldige melding van
betalingsonmacht. Op dat standpunt heeft hij zich ook nimmer gesteld.
Mogelijk heeft de rechtbank zich laten leiden door het abusievelijk in
eerste aanleg in het verweerschrift ingenomen standpunt dat gedaagde het
wettelijk vermoeden van onbehoorlijk bestuur heeft weerlegd. Voorzover
de rechtbank heeft gemeend dat door de publicatie van het faillissement
een rechtsgeldige melding heeft plaatsgevonden, heeft appellant erop
gewezen dat hij daarvan niet is uitgegaan. Gelet op de gedingstukken was
er al in mei/juni 1994 sprake van betalingsonmacht. De publicatie van
het faillissement op 17 november 1994 kan dan ook niet worden beschouwd
als een rechtsgeldige melding. De stelling van gedaagde dat de
betalingsonmacht het gevolg is geweest van een onrechtmatige transactie
van een van de opdrachtnemers in oktober 1994, verklaart niet de
betalingsachterstand die al bestond in mei/juni 1994. Voorts heeft
gedaagde aangevoerd dat uit het onderzoek tal van onregelmatigheden zijn
gebleken die door gedaagde weliswaar zijn betwist, doch onvoldoende zijn
weerlegd. Het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de premies
het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft gedaagde niet
weerlegd. Voor zover de bewijslast op appellant rust, is hij van mening
dat hij voldoende heeft aangetoond dat er sprake is geweest van
kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Aan appellant moet worden toegegeven dat de rechtbank niet heeft
gemotiveerd waarom zij als uitgangspunt heeft genomen dat er sprake is
geweest van een melding van betalingsonmacht. Dit neemt evenwel niet weg
dat appellant de vennootschap bij brief van 31 oktober 1994 in de
gelegenheid heeft gesteld eventuele betalingsonmacht te melden. Binnen
de in deze brief gestelde termijn van veertien dagen voor het doen van
een melding is de vennootschap in staat van faillissement verklaard.
Naar van de zijde van appellant ter zitting van de Raad is erkend, is
door dit faillissement aan de plicht om betalingsonmacht te melden de
grondslag komen te ontvallen. Dit betekent dat de publicatie van het
faillissement als een openbare melding van betalingsonmacht heeft te
gelden met als consequentie dat het aan appellant is om aannemelijk te
maken dat de niet-betaling van de premies het gevolg is van aan gedaagde
te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad wijst er hierbij op
dat ook appellant aan het binnen de gestelde termijn uitgesproken
faillissement betekenis heeft toegekend, zij het in andere zin namelijk
door bij zijn besluit van 26 mei 1998 te overwegen dat gedaagde de brief
van 31 oktober 1994 vanwege het faillissement niet heeft ontvangen en
het dan ook aan haar niet is te wijten dat er niet tijdig is gemeld.
Uitgaande van de op appellant rustende bewijslast is de Raad met de
rechtbank van oordeel dat, mede in het licht van hetgeen in de loop van
de procedure van de kant van gedaagde is gesteld, in dit geval appellant
zich bij zijn standpuntbepaling niet enkel kon baseren op de rapporten
van de curator. Deze rapporten doen vermoeden dat er sprake is geweest
van onbehoorlijk bestuur, doch bevatten geen hard gegeven waaruit dit
onomstotelijk blijkt. Nader onderzoek van de kant van appellant, in het
bijzonder bij de accountant van de vennootschap, was te dezen op zijn
plaats geweest.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.
|
|