|
Uitspraak
00/5046
CSV en 00/4947 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], respectievelijk
appellant 1 en appellant 2,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 26 februari 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten van 18 juni 1996,
waarbij appellanten op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld
voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over
de jaren 1991 tot en met 1995, verschuldigd door Gebroeders [naam
gebroeders] [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam]) voor een bedrag
van f. 173.000,17.
De rechtbank Amsterdam heeft de tegen de bestreden besluiten ingestelde
beroepen bij uitspraken van 10 augustus 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellanten is mr. A.C.M. Roestenberg, advocaat te Rotterdam, op
bij beroepschriften van 15 september 2000 aangevoerde gronden van die
uitspraken bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.
Desgevraagd zijn namens appelanten bij brief van 1 december 2002 nog
enkele stukken ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
13 februari 2003, waar appellant 2 in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. Roestenberg, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Beheersmaatschappij Gebroeders [naam beheersmaatschappij] was ten tijde
in geding bestuurder van [bedrijfsnaam]. Bestuurders van de
beheersmaatschappij waren de broers [appellant 1] en [naam broer]. De
aandelen van de beheersmaatschappij waren voor 49,75 % in handen van elk
van de broers en voor 0,50 % in handen van hun vader
[appellant 2].
Uit een onderzoek ingesteld naar de loonbetalingen die zijn verricht
door [bedrijfsnaam], waarvan de resultaten zijn neergelegd in een
rapport van 28 november 1993, kwam naar voren dat die onderneming in de
jaren 1991 tot en met 1995 betalingen heeft gedaan aan personen die in
de onderneming werkzaam waren welke betalingen niet als loon in de
bedrijfsadministratie zijn verantwoord.
Vervolgens heeft gedaagde [bedrijfsnaam] correctie- en boetenota's doen
toekomen.
Bij brieven van 27 maart 1996 heeft gedaagde onder meer zowel appellant
1 als appellant 2 in kennis gesteld van haar voornemen hen op grond van
artikel 16d van de CSV als respectievelijk bestuurder en beleidsbepaler
hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de door [bedrijfsnaam] onbetaald gelaten premies omdat aannemelijk is dat het niet betalen van
deze premies een gevolg was van aan appellanten te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur, zulks ten bedrage van in totaal fl. 176.705, 33.
Bij besluiten van 18 juni 1996 is gedaagde overgegaan tot
aansprakelijkstelling van appellanten voor de niet-betaling van dit
bedrag. Bij de bestreden besluiten heeft gedaagde de primaire besluiten
gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde voor wat betreft de niet-betaling
van de premies overwogen dat het niet betalen van de premies te wijten
is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat loon werd uitbetaald wat
bewust niet werd verantwoord in de bedrijfsadministratie en ook niet
vermeld werd in de jaaropgaven, waardoor gedaagde is benadeeld. Met
betrekking tot appellant 2 heeft gedaagde voorts overwogen dat hij als
feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk is voor de premieschuld van
[bedrijfsnaam], aangezien uit de in het kader van het onderzoek
tegenover de opsporingsambtenaren door zijn zoons en door hemzelf
afgelegde verklaringen is gebleken dat hij feitelijk een grote invloed
heeft gehad op de gang van zaken binnen de onderneming, met name op de
wijze waarop de betalingen binnen de onderneming verantwoord dienden te
worden.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de namens appellanten
tegen de besluiten van 26 februari 1998 ingestelde beroepen ongegrond
verklaard.
Ter zake van appellant 1 is in hoger beroep gesteld dat hij zich niet
bezig hield met bestuurstaken en dat hij geen notie had van wat er zich
op financieel gebied binnen het bedrijf afspeelde. Ter zake van
appellant 2 is in hoger beroep gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten
te motiveren waarom appellant 2 als feitelijk beleidsbepaler
aansprakelijk kon worden gesteld. Daarbij is gesteld dat deze
aansprakelijkstelling is gebaseerd op een verklaring van appellant 2 en
de gelijkluidende verklaringen van beide zoons, waarbij door de
rechtbank zou zijn nagelaten in haar overwegingen te betrekken dat de
verklaring van appellant 2 onder ongeoorloofde druk is afgelegd.
De Raad overweegt als volgt.
Gedaagde heeft appellanten toegelaten tot weerlegging van het wettelijk
vermoeden dat het niet betalen van de verschuldigde premies het gevolg
is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad stelt
voorop dat ter zitting door appellant 2 is bevestigd dat uitbetaald loon
bewust niet in de bedrijfsadministratie werd verantwoord. Daarmee is
naar het oordeel van de Raad gegeven dat geen sprake is van een
deugdelijke weerlegging van het wettelijk vermoeden van kennelijk
onbehoorlijk bestuur. De Raad moet met betrekking tot appellant 1
vaststellen dat hetgeen namens hem is aangevoerd onvoldoende is om te
dienen als disculpatie om aan zijn aansprakelijkheid te ontkomen.
Volgens vaste jurisprudentie neemt een ieder die zich laat benoemen tot
bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor
het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich. Hij dient zich
dan ook op de hoogte te houden van de financiële toestand van de
rechtspersoon en ter zake adequate maatregelen te treffen. Een
bestuurder kan zich niet aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken door
zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Een
tussen de bestuurders gemaakte taakverdeling werkt slechts intern en
niet tegenover derden. Een bestuurder zal zich derhalve als regel niet
kunnen beroepen op een bepaalde taakverdeling, of op zijn onbekwaamheid
ten aanzien van (bepaalde) bestuurstaken. Van zeer bijzondere
omstandigheden waaronder appellant 1 zich voor het binnen de onderneming
gevoerde bestuur zou kunnen disculperen, is de Raad in casu niet
gebleken. Als zodanig kan niet gelden de namens appellant 1 naar voren
gebrachte, niet onderbouwde stelling, dat hij voor bestuurder de
bekwaamheden mist.
Met betrekking tot appellant 2 heeft gedaagde zoals gezegd overwogen dat
hij als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk is voor de premieschuld
van [bedrijfsnaam], aangezien hij feitelijk een grote invloed heeft
gehad op de gang van zaken binnen de onderneming, met name op de wijze
waarop de betalingen binnen de onderneming verantwoord dienden te
worden. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van
appellant 2 zelf, alsmede op de gelijkluidende verklaringen van zijn
zoons.
Ingevolge artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV wordt
voor de toepassing van dit artikel onder bestuurder mede verstaan degene
ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam
heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met
uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder.
De Raad dient in dat kader de vraag te beantwoorden of het handelen van
appellant 2 een - het beleid van de vennootschap (mede) bepalend -
handelen betreft dat door bestuurders pleegt te geschieden.
Evenals de rechtbank en met gedaagde is de Raad van oordeel dat deze
vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Raad baseert zich daarbij
in hoofdzaak op de tegenover de opsporingsfunctionarissen afgelegde
verklaring van appellant 2 en de gelijkluidende verklaringen van zijn
zoons, alsmede op hetgeen door appellant 2 ter zitting is verklaard.
Daaruit leidt de Raad af dat appellant 2 het financiële beleid binnen
de onderneming in hoofdzaak bepaalde. Zo gaf hij, mede op basis van de
jaarstukken, advies aan zijn zoons over de inrichting van de
boekhouding, waarbij hij aangaf op welke wijze loon buiten de
administratie kon worden gehouden. Verder voerde hij de onderhandelingen
bij de start van de onderneming, verstrekte hij zijn zoons ten behoeve
van de onderneming een lening, stond hij financieel borg voor zijn zoons
en bemiddelde hij bij financiële problemen tussen zijn zoons en
leveranciers. Op grond van het door hem verrichte handelen kan zonder
meer worden gesteld dat appellant 2 het beleid van de onderneming -
waaronder het exploiteren van een snackbar met behulp van werknemers die
niet of niet volledig in de loonadministratie werden verantwoord - in
belangrijke mate (mede) bepaalde. De Raad komt dan ook tot de conclusie
dat appellant 2 op het terrein van het financiële beheer handelde als
ware hij bestuurder. Aan het vorenstaande doet niet af dat hij soms
enige tijd in het buitenland verbleef, aangezien hem dat kennelijk niet
verhinderde een overwegende invloed op het financiële beheer van de
onderneming uit te oefenen.
Het namens appellant 2 ingenomen standpunt dat hij niet mag worden
gehouden aan de verklaring die hij tegenover de opsporingsambtenaren van
gedaagde heeft afgelegd omdat deze verklaring onder ongeoorloofde druk
zou zijn afgelegd wordt verworpen. Uit 's Raads vaste jurisprudentie
vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een
opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring mag worden
uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen
van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Dat appellant zijn
verklaring onder ongeoorloofde druk heeft afgelegd is voor de Raad
onvoldoende aannemelijk geworden, te meer daar het ter zitting door
appellant 2 verklaarde nagenoeg overeenkomt met de eerder door hem
tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraken voor
bevestiging in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
Roeland als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R. Roeland.
|
|