|
Uitspraak
00/3003
CSV en 00/3008 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam VOF], gevestigd te [vestigingsplaats], appellant, tevens gedaagde,
hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant, hierna: het
bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 29 december 1998 heeft het bestuursorgaan gedeeltelijk
gegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen correctie- en
boetenota's over de jaren 1993, 1994, 1995 en 1996.
De rechtbank Roermond heeft het tegen dit besluit namens belanghebbende
ingestelde beroep bij uitspraak van 25 april 2000 gegrond verklaard, het
besluit vernietigd, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten
van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het door
belanghebbende gestorte griffierecht aan belanghebbende dient te
vergoeden.
Namens belanghebbende is mr. J.M.H. Römkens, advocaat te Maastricht, op
bij aanvullend beroepschrift van 30 juni 2000 aangevoerde gronden van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 27 december
2000 aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank bij de Raad
in hoger beroep gekomen.
Partijen hebben bij schrijven van 15 november 2000 en 5 juli 2002 van
verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart
2003, waar namens belanghebbende is verschenen [naam vennoot], vennoot
van belanghebbende, bijgestaan door mr. J.M.H. Römkens, voornoemd, en
H.J.M. Bos, accountant van belanghebbende. Gedaagde heeft zich bij die
gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.J. Niehof en L.H.M.
Poulussen, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een anonieme telefonische mededeling is door de
opsporingsdienst van voormalig GAK Nederland B.V. (GAK) in samenwerking
met de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst een uitgebreid
strafrechtelijk onderzoek bij belanghebbende gestart. Tijdens het
strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat belanghebbende een valse
bedrijfsadministratie heeft gevoerd. In het kader van het onderzoek is
de op jaar bewaarde administratie van belanghebbende op chauffeur
geordend. Mede op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft
looninspecteur J.L.M. Rubie van het GAK vastgesteld dat loonbetalingen
niet of niet geheel in de administratie zijn verwerkt als gevolg waarvan
de premielonen door belanghebbende niet, niet juist, of niet volledig
via jaaropgavenkaarten zijn opgegeven. Aan de hand van een schatting van
de door belanghebbende verschuldigde premie ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten zijn op 24 december 1997 correctienota's
over de jaren 1993 tot en met 1996 en op 29 december 1997 boetenota's
over die jaren aan belanghebbende opgelegd.
Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan het bezwaar van
belanghebbende tegen de vaststelling van de verzekeringsplicht met
ingang van 1 januari 1996 ten aanzien van [verzekeringsplichtige I] en
[verzekeringsplichtige II] gegrond verklaard en de correctienota en de
boetenota over het jaar 1996 op dit punt aangepast.
Het bezwaar tegen de vaststelling van verzekeringsplicht ten aanzien van
[verzekeringsplichtige III] heeft het bestuursorgaan ongegrond
verklaard.
Voorts heeft het bestuursorgaan naar aanleiding van het bezwaar van
belanghebbende dat de opbrengst per kilometer van de 65+-kaarten lager
zou zijn dan de door het bestuursorgaan gehanteerde f 1,73 per kilometer
voor het jaar 1993 gegrond verklaard en de correctienota en de boetenota
over het jaar 1993 op dit punt aangepast.
De overige bezwaren van belanghebbende heeft het bestuursorgaan
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
belanghebbende gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Volgens de rechtbank staat, gelet op de constateringen van de
verbalisanten inzake de aangetroffen administratie in het algemeen, en
meer in het bijzonder de rittenstaten, de werkboekjes en de
provisieregeling, alsmede gelet op de afgelegde getuigenverklaringen in
proces-verbaal 11022, vast dat belanghebbende in gebreke is gebleven om
correcte loonopgaven aan het bestuursorgaan te doen. Derhalve heeft het
bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank terecht de premies bij
benadering vastgesteld aan de hand van een schatting.
Gezien de volgens de rechtbank deplorabele toestand van de administratie
van belanghebbende, is de rechtbank van oordeel dat het bestuursorgaan
ten behoeve van deze schatting mocht overgaan tot herordening van de
administratie.
Het standpunt van belanghebbende dat door deze herordening de originele
bedrijfsadministratie teloor zou zijn gegaan heeft de rechtbank niet
onderschreven, omdat belanghebbende de beschikking heeft gekregen over
de bij de herordening gebruikte database.
Het bestuursorgaan had de gereconstrueerde administratie naar het
oordeel van de rechtbank wel veel eerder aan belanghebbende beschikbaar
moeten stellen, daar die gereconstrueerde administratie volgens de
rechtbank behoort tot de stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke ten behoeve van de
hoorzitting in elk geval ter inzage had moeten liggen.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestuursorgaan bij de
schatting van de nog verschuldigde premie ten onrechte de vrachtauto met
kenteken BH-75-LR volledig heeft meegenomen in het taxi- en
pakketvervoer.
Ten slotte is de rechtbank tot een gegrondverklaring gekomen, daar het
bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft
gemotiveerd waarom voor het jaar 1996 een andere omzetberekeningsmethode
is gehanteerd dan voor de jaren 1993 tot en met 1995.
Voor het overige heeft de rechtbank de juistheid van het bestreden
besluit onderschreven.
Zoals uit hetgeen beschreven in rubriek I van deze uitspraak blijkt,
zijn zowel belanghebbende als het bestuursorgaan van de uitspraak van de
rechtbank in hoger beroep gekomen.
Namens belanghebbende is - samengevat - aangevoerd dat ten aanzien van
[verzekeringsplichtige III] geen sprake kan zijn van verzekeringsplicht,
daar wilsovereenstemming voor een arbeidsovereenkomst heeft ontbroken,
de door de rechtbank aangehaalde getuigenverklaring van [naam getuige]
ontbreekt, er aan [verzekeringsplichtige III] in plaats van loon een
vergoeding voor het gebruik van de woning en gemaakte kosten is betaald
en haar voorgangster [naam voorgangster] haar arbeidscontract met
belanghebbende heeft vervalst.
Voorts is namens belanghebbende het standpunt ingenomen dat de
premiecorrecties dienen te worden vernietigd, daar de originele
bedrijfsadministratie van belanghebbende door de handelwijze van het
bestuursorgaan verloren is gegaan. Daardoor kan belanghebbende naar zijn
oordeel geen tegenbewijs leveren en is volgens belanghebbende een
fundamenteel beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Daarnaast
dienen de correctienota's volgens belanghebbende vanwege de grote
beoordelingsfouten van de opsporingsambtenaren en de willekeurige
berekeningsmethoden te worden vernietigd. Blijkens het in hoger beroep
namens belanghebbende overgelegde overzicht zou slechts een correctie
van in totaal f 14.921,75 gerechtvaardigd zijn.
Verder is namens belanghebbende aangevoerd dat het onzorgvuldige
optreden van de belastingdienst bij het boekenonderzoek in 1994, waarbij
volgens belanghebbende door toedoen van de belastingdienst administratie
van belanghebbende is zoekgeraakt, en welk optreden volgens
belanghebbende aan het bestuursorgaan dient te worden toegerekend, er
toe leidt dat het bestuursorgaan over de jaren 1993 en 1994 geen
correctienota's had mogen opleggen.
Ten slotte is belanghebbende van oordeel dat in het onderhavige geval
sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),
waardoor hij in zijn processuele belangen is geschaad. Derhalve dienen
de correctienota's naar zijn oordeel te worden vernietigd.
Aangezien het bestuursorgaan bij verweer heeft medegedeeld dat de
boetenota's in verband met de strafrechtelijke procedure tegen (de
vennoten van) belanghebbende niet langer worden gehandhaafd, laat de
Raad de grieven van belanghebbende met betrekking tot de opgelegde
administratieve boetes verder onbesproken.
Het bestuursorgaan heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in het
onderhavige geval op correcte en adequate wijze toepassing heeft gegeven
aan artikel 7:4 van de Awb. Het bestuursorgaan heeft er daartoe op
gewezen dat hij voorafgaand aan de hoorzitting kopieën van de op de
zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende heeft toegezonden.
Aangezien de administratie in het kader van het strafrechtelijk
onderzoek in het bezit van het Openbaar Ministerie (OM) was, kon het
bestuursorgaan de administratie niet overleggen, maar heeft het
bestuursorgaan belanghebbende naar het OM moeten verwijzen. Voorts heeft
het bestuursorgaan er op gewezen dat (gemachtigde) belanghebbende op 5
juni 1998 in de gelegenheid is gesteld om de administratie in te zien.
Van deze mogelijkheid heeft belanghebbende om hem moverende redenen geen
gebruik gemaakt. Daarnaast heeft het bestuursorgaan opgemerkt dat de
gemachtigde en de accountant van belanghebbende de administratie
voorafgaand aan de tweede hoorzitting hebben kunnen inzien, terwijl de
accountant door de Rechter Commissaris bovendien in de gelegenheid is
gesteld aan te geven welke documenten voor zijn onderzoek zo
noodzakelijk zouden zijn dat hij over afschriften zou moeten beschikken.
Het bestuursorgaan heeft zich op het standpunt gesteld dat de database
niet tot de stukken als bedoeld in artikel 7:4 van de Awb kunnen worden
aangemerkt. Volgens het bestuursorgaan zijn de database en de
databaseapplicatie veeleer aan te merken als opsporingsmiddelen. Daarbij
heeft het bestuursorgaan nog opgemerkt dat belanghebbende in de
bezwaarprocedure ook nimmer heeft verzocht om de database.
Anders dan de rechtbank is het bestuursorgaan voorts van oordeel dat in
het bestreden besluit genoegzaam is aangegeven waarom voor het jaar 1996
een andere berekeningsmethode diende te worden gehanteerd. Zoals volgens
het bestuursorgaan uit het bestreden besluit blijkt, is voor de
schatting gekozen voor een methode die (onder andere) aansluit bij de
kilometeradministratie van belanghebbende. Daarbij is uitgegaan van de
kilometerstanden, zoals die uit de administratie van belanghebbende zijn
gebleken. In verband met de onverklaarbare sprong in de kilometerteller
van de auto met kenteken NV-25-FS en het feit dat blijkens de
rittenstaten ondanks de defecte kilometerteller nog wel met deze auto is
gereden, diende volgens het bestuursorgaan een nieuwe berekening plaats
te vinden, waarvoor een andere berekeningsmethodiek is toegepast. Voor
de jaren 1993 tot en met 1995 kon de kilometeradministratie van
belanghebbende volgens het bestuursorgaan wel als uitgangspunt voor de
schatting blijven dienen.
Het bestuursorgaan heeft de berekening, zoals uitgevoerd voor het jaar
1996, ook uitgevoerd over de jaren 1993 tot en met 1995 en er op gewezen
dat met deze berekeningsmethode de verzwegen omzetten in de jaren 1993
tot en met 1995 hoger zouden uitvallen dan de oorspronkelijke
omzetberekeningen.
Ten slotte heeft het bestuursorgaan aangevoerd dat uit de gedingstukken
juist blijkt dat met de vrachtauto met kenteken BH-75-LR, waarmee met
een rijbewijs B kan worden gereden, pakketvervoer is verricht. Aangezien
ook met taxi's pakketvervoer is verricht, is het volgens het
bestuursorgaan terecht dat de kilometers van deze auto in de correcties
zijn meegenomen. Het bestuursorgaan heeft daarbij benadrukt dat de
premielonen in het onderhavige geval terecht op basis van een schatting
zijn vastgesteld. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 14
juni 1995, gepubliceerd in RSV 1996/7, en 21 juni 1995, gepubliceerd in
RSV 1996/8, stelt het bestuursorgaan zich op het standpunt dat een
eventuele afwijking van het geschatte loon van het exact betaalde loon
dan voor risico van de werkgever komt.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
dient de werkgever met inachtneming van de door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels een administratie te voeren
en aan het bestuursorgaan opgaven te doen van het door zijn werknemers
genoten loon.
Naar het oordeel van de Raad heeft belanghebbende niet aan deze
administratieve verplichtingen voldaan.
De Raad overweegt daartoe dat uit het proces-verbaal 11022 van het reeds
aangehaalde strafrechtelijk onderzoek blijkt dat belanghebbende omzet
heeft verzwegen, loonbetalingen buiten de administratie heeft gehouden
en netto uitbetaalde provisies als bruto lonen heeft geboekt. Voorts is
tijdens het onderzoek gebleken dat de gegevens uit de werkboekjes van de
chauffeurs in een groot aantal gevallen niet overeenkomen met de
gegevens op de rittenstaat, dat rittenstaten niet volledig werden
ingevuld en dat rittenstaten niet werden bewaard. De belastingdienst
heeft belanghebbende naar aanleiding van een onderzoek over de jaren
1992 tot en met 1994 ook een schriftelijke waarschuwing wegens het niet
voldoen aan de bewaarplicht gegeven.
Met betrekking tot het voorgaande is ter zitting van de Raad namens
belanghebbende medegedeeld dat de correctie voor het jaar 1995 terzake
van de aan parttimers uitbetaalde provisies niet wordt betwist.
Tevens is ter zitting van de Raad namens belanghebbende toegegeven dat
er door toedoen van belanghebbende rittenstaten over de jaren 1995 en
1996 ontbreken en dat het beroep van belanghebbende dan ook niet is
gericht tegen de verwerping van zijn administratie over die jaren. Dat
er over de jaren 1993 en 1994 rittenstaten ontbreken is volgens
belanghebbende echter te wijten aan de belastingdienst. In het kader van
het boekenonderzoek van het jaar 1992 zou de belastingdienst deze
rittenstaten hebben meegenomen, maar niet aan belanghebbende hebben
geretourneerd.
De Raad acht het echter, gelet op de gedingstukken en het verhandelde
ter zitting, niet aannemelijk dat de door de belastingdienst meegenomen
stukken niet volledig aan belanghebbende zouden zijn teruggegeven. Met
de rechtbank en het bestuursorgaan is de Raad van oordeel dat deze
conclusie niet wordt gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat op
het belastingkantoor een doos met urenverantwoordingen is aangetroffen.
Evenmin is naar het oordeel van de Raad door belanghebbende aannemelijk
gemaakt dat de meegenomen stukken bij de belastingdienst zijn
zoekgeraakt.
Om voormelde redenen is de Raad van oordeel dat het bestuursorgaan de
administratie van belanghebbende over de jaren 1993, 1994, 1995 en 1996
terecht heeft verworpen en dat het bestuursorgaan bij gebreke van exacte
en betrouwbare loongegevens terecht de premie bij benadering aan de hand
van een schatting heeft vastgesteld. Bovendien heeft het bestuursorgaan
waar mogelijk de benadeling op werknemersniveau vastgesteld.
Vervolgens dient de Raad te beoordelen of het bestuursorgaan bij de
berekening van de verschuldigde premie voldoende zorgvuldigheid heeft
betracht. De Raad ziet in de omstandigheid dat het bestuursorgaan voor
de berekening van de verschuldigde premie voor de jaren 1993 tot en met
1995 een andere berekeningsmethode heeft gehanteerd dan voor het jaar
1996 geen aanleiding voor het oordeel dat het bestuursorgaan bij de
schatting onredelijke uitgangspunten heeft gehanteerd en aldus niet tot
een verantwoorde weloverwogen schatting is gekomen. Anders dan de
rechtbank is de Raad ook van oordeel dat het bestuursorgaan de
toepassing van deze twee methoden bij het bestreden besluit voldoende
heeft gemotiveerd. Daarbij komt nog dat uit de in hoger beroep door het
bestuursorgaan overgelegde berekening van het bestuursorgaan blijkt dat
toepassing van de voor het jaar 1996 gehanteerde specifieke
berekeningsmethode over de jaren 1993, 1994 en 1995 leidt tot hogere
correcties voor die jaren. Voorts acht de Raad van belang dat uitgaande
van de voor het jaar 1996 gehanteerde berekeningsmethode de vraag of, en
in hoeverre, sprake is van zakelijke kilometers dan wel kilometers voor
transport niet meer van belang is.
Met het bestuursorgaan is de Raad van oordeel dat de database en
applicatie, behoudens eventuele uitdraaien uit die database, niet
behoren tot de stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de
Awb, welke voorafgaand aan het horen ter inzage dienen te liggen.
Aangezien belanghebbende tijdens de bezwaarschriftprocedure naar het
oordeel van de Raad voldoende in gelegenheid is gesteld om de
administratie in te zien en belanghebbende tijdens de
bezwaarschriftprocedure niet om verdere uitdraaien dan de op 13 oktober
1998 aan zijn accountant verstrekte uitdraai heeft gevraagd, heeft het
bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad gehandeld zoals
voorgeschreven in artikel 7:4 van de Awb.
Voorts is de Raad van oordeel dat het voor het risico van belanghebbende
komt dat voor de vaststelling van de door hem verschuldigde premie tot
ordening op chauffeur van zijn administratie is overgegaan. Naar het
oordeel van de Raad voldeed de administratie van belanghebbende immers
niet aan de voorwaarden, zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid van
de CSV juncto artikel 8, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit
van 28 december 1987, Stcrt. 1987, 252. Derhalve kon de administratie
van belanghebbende in de onbruikbare staat waarin deze zich bevond niet
als basis voor de controle van de door belanghebbende verrichte
jaaropgaven dienen.
Belanghebbende heeft de Raad ook niet kunnen overtuigen dat hij door
ordening van de administratie essentieel in zijn bewijspositie is
geschaad. Dit te minder gezien bedoelde staat van de op jaar bewaarde
administratie van belanghebbende. Daarbij komt nog dat belanghebbende na
het tussenvonnis van 29 december 1999 van de rechtbank Roermond, sector
strafrecht, over de database en applicatie beschikte om de administratie
op jaar te kunnen herordenen.
Met de rechtbank en het bestuursorgaan is de Raad van oordeel dat
terecht verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale
werknemersverzekeringswetten ten aanzien van [verzekeringsplichtige III]
is vastgesteld. Uit de tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen
blijkt naar het oordeel van de Raad dat [verzekeringsplichtige III] in
een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot belanghebbende staat.
Overigens heeft het bestuursorgaan bij verweer in hoger beroep een
afschrift van het proces-verbaal van het verhoor van [naam getuige]
overgelegd, welke de Raad geen aanleiding geeft om tot een andere
conclusie te komen.
Ten slotte overweegt de Raad met betrekking tot het namens
belanghebbende ingenomen standpunt dat de correctienota's in verband met
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM
dienen te worden vernietigd dat, ervan uitgaande dat deze termijn is
aangevangen met het bezwaarschrift van 6 januari 1998 en gelet op de
complexiteit van het onderhavige geding en de verzoeken om uitstel van
de kant van belanghebbende, hiervan naar zijn oordeel geen sprake kan
zijn.
Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat het hoger beroep van het
bestuursorgaan slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
|
|