|
Uitspraak
00/1662
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het uitvoeringsinstituut werk en inkomen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna:
Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv
dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen.
Bij besluit, op bezwaar, van 26 maart 1997 heeft gedaagde ongegrond
verklaard appellantes bezwaren tegen correctienota's van 22 december
1995 en 20 februari 1996 over de jaren 1990 tot en met 1993, welke
correctienota's betrekking hebben op het niet verhalen van het
werknemersaandeel in de premie Ziektewet (ZW) bij werknemers van
appellante.
De Rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 14 maart 2000 het namens
appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In het beroepschrift van 27 maart 2000 heeft mr. A.J.S.M. Tervoort,
advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van appellante uiteengezet, op
welke gronden appellante zich niet kan verenigen met de aangevallen
uitspraak.
Van de kant van gedaagde is onder dagtekening 31 mei 2000 een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei
2001, waar voor appellante zijn verschenen J.C. van Ofwegen, werkzaam bij Intercena te Amsterdam met bijstand van
mr. Tervoort, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, destijds werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
De Raad heeft aanleiding gevonden het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 29 november
2001, waar voor appellante is verschenen Van Ofwegen voornoemd, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde te zijner
zittingen het volgende.
Blijkens het rapport van 9 januari 1996 van een bij appellante van de
kant van gedaagde gehouden looncontrole heeft appellante vanaf 1990 geen
premies ingevolge de ZW op het loon van de werknemers ingehouden om geen
verschillen te laten ontstaan in de lonen van haar werknemers en die van
werknemers van andere concernonderdelen, welke concernonderdelen, anders
dan appellante, eigenrisicodrager voor de ZW zijn. De werknemers van
appellante waren voorheen in dienst van [concernonderdeel], die geen
eigenrisicodrager voor de ZW was. Appellante heeft bij de
loonverantwoording jegens gedaagde, naar de zienswijze van gedaagde ten
onrechte geen rekening gehouden met het nettovoordeel in geld dat haar
werknemers door haar handelwijze genieten.
Gedaagde heeft terzake correctienota's opgelegd over de jaren 1990 tot
en met 1993, welke bij het bestreden besluit van 26 maart 1997 onverkort
zijn gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard,
waartoe de rechtbank het volgende heeft overwogen en geoordeeld.
"In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder
terecht een hoger premieloon in aanmerking heeft genomen, aangezien
eiseres heeft afgezien van de inhouding van de werknemerspremie
ingevolge de ZW op de lonen van haar werknemers.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet sociale
verzekering (CSV) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt
genoten.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 17
oktober 1996, gepubliceerd in RSV 1997/39, onder meer overwogen dat een
feitelijke (te hoge netto) betaling, die zijn oorzaak vindt in het niet
(volledig) inhouden van premies voor de werknemersverzekeringen, loon
uit dienstbetrekking oplevert. Het door de werkgever onverplicht voor
eigen rekening genomen deel van de premies, behoort dan ook niet tot de
in artikel 6 van de CSV van het loonbegrip uitgezonderde aanspraken.
In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen
aanleiding gezien om de CRvB als hoogste bestuursrechter niet te volgen.
Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat de door eiseres
niet op het loon van haar werknemers ingehouden premies voor de ZW, loon
uit dienstbetrekking en derhalve loon in geld vormen. Met het
(onverplicht) voor eigen rekening nemen van het werknemersdeel van de
premie voor de ZW, heeft eiseres immers een persoonlijke schuld van de
werknemer voldaan, uit welke voldoening de werknemer voordeel heeft
genoten. Dit voordeel dient te worden aangemerkt als loon in geld. De
regels met betrekking tot de waardering van anders dan in geld genoten
loon, te weten loon in natura, zijn derhalve in het onderhavige geval
niet aan de orde, zodat ook de zogenaamde peanutsaanschrijving niet van
toepassing is."
De weigering om appellante als eigenrisicodrager aan te merken kon naar
het oordeel van de rechtbank niet aan de orde komen op grond van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellante stelt zich ook in hoger beroep primair op het standpunt dat
het niet inhouden van het werknemersaandeel in de premie ZW op het loon
van haar werknemers loon in natura vormt. Bovendien acht appellante zich
verplicht het werknemersaandeel in de premie ZW te voldoen zonder
verhaal hiervan op haar werknemers, omdat sprake is geweest van overgang
van een onderneming als bedoeld in artikel 7:663 BW, in welk verband
appellante meent dat het niet-verhalen van het werknemersaandeel in de
ZW-premie niet kan worden beschouwd als het voldoen van een persoonlijke
schuld van de werknemers. Tenslotte heeft appellante ook in hoger beroep
grieven geuit tegen het feit dat appellante door gedaagde niet als
eigenrisicodrager voor de ZW is aangemerkt.
De Raad kan zich met de overwegingen van de rechtbank en het daaraan
verbonden oordeel verenigen en maakt deze tot de zijne. Hij voegt
hieraan nog het volgende toe.
Het uitgangspunt voor premieheffing ingevolge de Ziektewet, zoals dat
ten tijde hier van belang was neergelegd in artikel 60, vijfde lid, van
die wet, was dat van de premie de helft door de verzekerde verschuldigd
is tot ten hoogste 1% van het premieloon. De werkgever is ingevolge
artikel 60, zevende lid, van de ZW (oud) gehouden zowel de door de
verzekerde als de door hemzelf verschuldigde premie te betalen, met dien
verstande dat de werkgever het door de werknemer verschuldigde deel van
de premie over de tijd, waarover dat loon betaald wordt, mag inhouden.
Naar het oordeel van de Raad volgt uit deze bepalingen dat het
werknemersaandeel in de ZW-premie een persoonlijke schuld van de
werknemer is. Indien een werkgever die persoonlijke schuld van de
werknemer voldoet, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de
werkgever aan de werknemer loon in geld verstrekt, dat bij de werknemer
tot uiting komt door het genot van een hoger nettoloon. De Raad meent
voor dit oordeel ook steun te vinden in het arrest van de Hoge Raad van
1 december 1999, gepubliceerd in BNB 2000/36c. Dit betekent dat de
zienswijze van appellante dat sprake is van loon in natura niet juist
is, zodat de zogenoemde peanutsregeling toepassing mist. De
omstandigheid dat appellante zich op grond van artikel 7:663 genoopt zag
om de door de werknemer verschuldigde ZW-premie niet op het loon in te
houden, brengt daarin geen verandering.
Dit brengt mee dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Huls.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7, en 8 van die
wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|