|
Uitspraak
00/836
ALGEM en 00/837 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[bedrijfsnaam I], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde 1,
[naam Holding], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde 2.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 26 mei 2000 aangevoerde
gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Rechtbank
's-Hertogenbosch onder dagtekening 21 december 1999 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagden hebben mr. G.W.B. van Westen en mr. M.R.M. Deden,
belastingadviseurs te Voorburg, bij schrijven van 10 april 2001 (met
bijlagen) van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 maart
2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.
Mulder, werkzaam bij het UWV, terwijl gedaagden zijn verschenen bij
gemachtigden mrs. Van Westen en Deden, voornoemd.
II. MOTIVERING
In 1996 heeft de moedermaatschappij van gedaagden in Denemarken,
[moedermaatschappij], ter gelegenheid van haar beursintroductie op de
Deense beurs een aandelenplan ontworpen, waarbij wereldwijd maximaal
250.000 aandelen werden uitgegeven aan de daarvoor in aanmerking komende
werknemers werkzaam bij een van de maatschappijen van de
[moedermaatschappij]. Voor de deelnemende werknemers was het mogelijk om
tegen een gereduceerde prijs aandelen te kopen die gedurende 5 jaar op
geblokkeerde rekeningen bij Den Danske Bank werden geplaatst. Het te
ontvangen dividend stond ter vrije beschikking van de deelnemers.
Gedaagden hebben de in de Engelse taal gestelde informatie verspreid,
terwijl inlichtingen omtrent dit plan via een in Denemarken werkzame
medewerker werd verstrekt. De inschrijfformulieren moesten naar
Denemarken verzonden worden en de uitgifte van de aandelen gebeurde
rechtstreeks door de Deense moedermaatschappij in samenwerking met Den
Danske Bank. De moedermaatschappij heeft middels Deloitte & Touche
een aantal werkafspraken gemaakt met de belastingdienst inzake de
waardering van de aandelen en de heffing inkomstenbelasting. Ten behoeve
hiervan is door gedaagden over de maand december 1996 een aparte loonrun
gedraaid.
Bij een door appellant op 24 en 25 februari 1997 bij gedaagden gehouden
looncontrole is gebleken dat gedaagden het betreffende voordeel
weliswaar hebben aangemerkt als loon voor de loonheffing, maar niet
hebben beschouwd als loon voor de sociale werknemersverzekeringswetten.
Appellant heeft dit voordeel alsnog als loon voor de sociale
werknemersverzekeringswetten aangemerkt en gedaagden over 1996
correctienota's opgelegd. Het namens gedaagden tegen deze nota's
gemaakte bezwaar heeft appellant, onder de overweging dat er sprake is
van loon als bedoeld in artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (hierna: CSV), bij besluiten van 28 december 1998 ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van
14 april 1999, met nummer 97/4078 ALGEM, overwogen dat er geen sprake is
van een situatie waarbij de mogelijkheid tot deelname in het
aandelenplan van de Deense moedermaatschappij door gedaagden in hun
arbeidsvoorwaarden is geïncorporeerd, omdat het een eenmalige
gebeurtenis betrof en de enige bemoeienis van gedaagden heeft bestaan
uit het verspreiden van de informatie betreffende het aandelenplan. Bij
uitspraak van 21 december 1999 heeft de rechtbank het beroep gegrond
verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ingevolge artikel 4,
eerste lid, van de CSV onder loon wordt verstaan al hetgeen uit
dienstbetrekking wordt genoten. Naar de mening van appellant biedt de
dienstbetrekking tussen gedaagden en hun werknemers de mogelijkheid om
het voordeel te genieten, omdat het bestaan van een dienstbetrekking bij
gedaagden een voorwaarde is om aan het aandelenplan deel te nemen.
Derhalve is er sprake van een onlosmakelijk verband tussen de
dienstbetrekking en het kunnen genieten van het voordeel, zodat dit
voordeel als loon uit dienstbetrekking moet worden beschouwd. Tevens
heeft appellant opgemerkt dat gedaagden een zekere mate van bemoeienis
hebben gehad met het aandelenplan.
Gedaagden hebben in hoger beroep doen aanvoeren dat er geen sprake is
van loon in de zin van artikel 4 van de CSV, omdat de moedermaatschappij
de aandelen niet verstrekt heeft in opdracht van en voor rekening van
gedaagden en dat de moedermaatschappij niet vereenzelvigd kan worden met
de in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen. Veeleer is er naar de
mening van gedaagden sprake van loon van derden.
De Raad overweegt als volgt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 november 2000, nummer 361,
gepubliceerd in RSV 2001/13, voordeel uit een aandelenspaarplan van de
moedermaatschappij aangemerkt als premieplichtig loon. Daarbij is
overwogen:
"Indien, zoals hier, een werknemer in de zin van artikel 2 Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) in verband met zijn
dienstbetrekking een voordeel geniet van een ander dan die werkgever in
de zin van artikel 3 CSV, is - behoudens indien en voor zover sprake is
van fooien en dergelijke prestaties van derden welke op grond van
artikel 7 CSV in verbinding met artikel 1 van het Besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 21 december 1989, nr. 8920774 (hierna: het
Fooienbesluit), tot het loon behoren - slechts sprake van premieplichtig
loon in de zin van artikel 4 CSV indien dat voordeel wordt verstrekt in
opdracht van en voor rekening van die werkgever. Met laatstbedoelde
situatie moet echter op een lijn worden gesteld een geval als het
onderhavige waarin binnen een concern het voordeel met medeweten van de
werkgever wordt verstrekt door een andere concernmaatschappij dan die
waarbij de werknemer in dienstbetrekking is en dat voordeel niet aan de
werkgever wordt doorberekend."
Naar het oordeel van de Raad heeft de bemoeienis van gedaagden met
betrekking tot het aandelenplan, bestaande uit het verspreiden van de
brochure, het draaien van een extra loonrun over de maand december 1996
en de ondertekening van het aandelenplan door [commissaris] en
[directeur], respectievelijk commissaris en directeur van gedaagde 1, er
in ieder geval in geresulteerd dat de gedaagden wetenschap hadden van
het aandelenplan en dientengevolge het voordeel met medeweten van de
werkgever is verstrekt. Gelet op het hierboven aangehaalde arrest van de
Hoge Raad dient zulks in concernverband op een lijn gesteld te worden
met het verstrekken in opdracht van en voor rekening van die werkgever.
Derhalve heeft appellant terecht vastgesteld dat het voordeel genoten
wegens deelname in het aandelenplan als premieplichtig loon in de zin
van artikel 4 van de CSV dient te worden aangemerkt. De aangevallen
uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve als in rubriek III van deze uitspraak is
weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2002.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet
Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen,
maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het
bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|