|
Uitspraak
00/5802
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. S.C. de Lange, werkzaam bij Siekman &
Stassen, advocaten en belastingadviseurs te Hoofddorp, op bij aanvullend
beroepschrift van 2 januari 2001 aangevoerde gronden, aangevuld bij
schrijven van 22 februari 2001(met bijlagen), bij de Raad hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 10 oktober 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt
verwezen.
Gedaagde heeft op 26 januari 2001 een verweerschrift ingediend. Bij
schrijven van 14 april 2003 heeft gedaagde een eveneens op 14 april 2003
gedateerde gewijzigde beslissing op bezwaar de Raad doen toekomen,
waarop namens appellant gereageerd is bij brief van 15 april 2003.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 17 april 2003, waar partijen - met voorafgaand
schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Blijkens de in rubriek I van deze uitspraak genoemde beslissing op
bezwaar van 14 april 2003 heeft gedaagde besloten de beslissing op
bezwaar van 21 april 1998 in te trekken, het bezwaar alsnog gegrond te
verklaren en het bedrag van de aansprakelijkstelling volledig te
matigen.
De Raad merkt op dat de administratieve rechter in het kader van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alleen dan tot het beantwoorden
van rechtsvragen is geroepen indien nog sprake is van een geschil met
betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Van een geschil over
zulk een besluit is in dit geval geen sprake meer.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep wegens verlies
aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen
proceskosten, begroot op € 1.027,-- wegens verleende rechtsbijstand.
Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.
Gelet op artikel 25, tweede lid van de Beroepswet is de administratieve
rechter bevoegd een veroordeling tot vergoeding van het griffierecht uit
te spreken in andere gevallen dan die waarin de uitspraak van de
rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt. Zoals hierna uit het
dictum zal blijken, acht de Raad in dit geval termen aanwezig om van die
bevoegdheid gebruik te maken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant begroot op €
1.027,--;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht ad €
102,12 (f 225,--), vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|