|
Uitspraak
00/5968
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Naar aanleiding van een bij gedaagde gehouden looncontrole heeft
appellant premie- en boetenota's opgelegd alsmede een verzuim
geregistreerd over de jaren 1994 tot en met 1997, omdat de lonen niet,
niet juist of niet volledig waren opgenomen in de administratie en deze
dientengevolge niet, niet juist of niet volledig aan de
uitvoeringsinstelling middels de jaaropgavekaarten waren opgegeven. De
tegen deze besluiten ingestelde bezwaren van gedaagde is bij besluit van
11 juni 1999 door appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 het door
gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 11 juni 1999 gegrond
verklaard, dit besluit vernietigd voor zover daarbij een hogere boete is
opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen premiebedrag
en heeft in zoverre het besluit van 15 maart 1999 herroepen. Voorts
heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde
en bepaald dat appellant het door gedaagde gestorte griffierecht dient
te vergoeden.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 1 februari 2001 (met
bijlagen) aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij de
Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. G.A.J. Spijkers, belastingadviseur bij
Meeuwsen Ten Hoopen & Co te Assen, bij schrijven van 1 maart 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april
2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.F.K.
ter Hennepe. Namens gedaagde is verschenen haar gemachtigde, mr.
Spijkers, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert te [vestigingsplaats] een eetcafé. Naar aanleiding
van een bij gedaagde door appellant gehouden looncontrole heeft
appellant over de jaren 1994 tot en met 1997 correctienota's opgelegd
omdat gedaagde niet, niet juist of niet volledig had voldaan aan de in
artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
bedoelde verplichtingen tot het doen van loonopgaven voor wat betreft de
premielonen van de bij haar werkzame parttime hulpkrachten en voor wat
betreft het uitbetalen van reiskostenvergoedingen aan werknemers. Tevens
heeft appellant terzake hiervan op 15 maart 1999 over de jaren 1994 tot en met 1997 boetes opgelegd,
waarbij de hoogte van de boetes, gelet op de kwalificatie opzet dan wel
grove schuld en gelet op het feit dat het een eerste verzuim betrof, is
vastgesteld op 25% van de aan gedaagde over de jaren 1994 tot en met
1997 opgelegde correctienota's.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het besluit van 11 juni
1999, waarbij het bezwaar van gedaagde ongegrond is verklaard, gegrond
verklaard, dit besluit vernietigd, voor zover daarbij een hogere boete
is opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen
premiebedrag en heeft in zoverre het besluit van 15 maart 1999
herroepen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij
voor eiseres gedaagde gelezen dient te worden en voor verweerder
appellant.
"Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd ter hoogte van 25% van
de navordering, ter zake van het niet doen van de juiste loonopgaven in
de jaren 1994 t/m 1997.
Daartoe heeft verweerder geoordeeld dat dit een verzuim is, als bedoeld
in artikel 12, eerste lid, CSV.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt.
(...)
Eiseres heeft gesteld dat sprake is van een technische heffingskwestie
(omrekeningskwestie), zoals ook door de fiscus wordt geoordeeld, en dat
daarbij niet de kwalificatie opzet/grove schuld past.
De rechtbank is van oordeel dat uit het gegeven dat de wetgever
welbewust geen onderscheid heeft gemaakt naar gradaties van schuld (Nota
van Toelichting bij de Beschikking Administratieve Boeten Coördinatiewet),
voortvloeit dat niet de nadruk moet worden gelegd op het adjectief
"grove" indien het om schuld gaat.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis en de
jurisprudentie van de Hoge Raad in het kader van artikel 18 AWR af te
leiden valt, dat het doen van een niet met de wet strokende loonopgave
valt onder het begrip "grove schuld", tenzij deze aangifte
geschiedt op grond van een welbewust ingenomen standpunt over de (uitleg
en toepassing van de) wet, dat pleitbaar is. Daarvan is in het
onderhavige geval geen sprake. Eiseres heeft weliswaar bedoeld de
CAO-lonen voor alle werknemers te doen gelden, maar heeft
nettoloonafspraken gemaakt en de accountant geen opdracht gegeven er
steeds voor te zorgen dat de brutering tenminste op het CAO-loonniveau
uitkwam. Ook heeft de accountant dit niet zelf gedaan. Dit laatste valt
in de risicosfeer van eiseres.
De rechtbank stelt vast dat in de jaren, waarin de onjuiste loonopgave
werd gedaan een buitenwettelijk beleid werd gevoerd door de uitvoerende
afdeling dat voor eiseres tot een aanzienlijk gunstiger resultaat zou
kunnen leiden. Dit is ter zitting besproken. Dit beleid dient ook bij
het bestreden besluit betrokken te worden. Zou de datum waarop dit
besluit is genomen beslissend zijn voor het toepasselijke regime, dan
strookt dit niet met de wettelijke systematiek.
De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres weliswaar bewust een risico
heeft genomen, maar niet de bedoeling heeft gehad verweerder te
benadelen. Dit risico heeft voor een deel van het personeel tot te lage
brutolonen geleid, terwijl het voor een ander deel van het personeel tot
hogere brutolonen heeft geleid dan het CAO-loon dat eiseres met hen
overeengekomen was. Van dit laatste hebben slechts de fiscus en
verweerder profijt gehad.
Onder deze omstandigheden had verweerder toepassing moeten geven aan
artikel 7 van het ABC-Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank had
verweerder daarbij moeten volstaan met een boete van 5 procent en het
registreren van een verzuim. De rechtbank acht zich gerechtigd dit
oordeel uit te spreken nu sprake is van het opleggen van een straf.
Alsdan is geen sprake van een "vrije" bestuursbevoegdheid van
verweerder."
Appellant is van deze uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen
onder aanvoering van de volgende grieven:
Bestreden wordt dat er in de jaren 1994 tot en met 1997, zoals door de
rechtbank is overwogen, een voor gedaagde gunstiger beleid gold. Door
appellant is uiteengezet of en welk evenredigheidsbeleid in de loop der
jaren heeft gegolden, zodat duidelijk wordt dat een beleid waarin de
evenredigheid van de boete wordt afgezet tegen de ernst van het verzuim
eerst in 1997 is ontstaan. Daarbij is namens appellant aangegeven dat
slechts over het jaar 1997 een gunstiger beleid gold, waarbij gezien de
hoogte van het niet opgegeven bedrag en het feit dat het verzuim is
gekwalificeerd als opzet of grove schuld een boete opgelegd had dienen
te worden van 5% in plaats van de opgelegde 25% van de niet verantwoorde
premie.
Voorts is appellant de mening toegedaan dat de rechtbank een veel te
ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip "bijzondere
omstandigheid" als bedoeld aan artikel 7 van het ABC-besluit. Uit
de toelichting op het ABC-besluit blijkt dat deze bepaling ziet op
uitzonderlijke situaties, zoals overmacht en rampsituaties, waarvan in
het onderhavig geval geen sprake is.
De Raad overweegt als volgt.
Nu uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld, dient de Raad
slechts te beantwoorden de vraag of de rechtbank op juiste gronden het
bestreden besluit heeft vernietigd voor zover daarbij een hogere boete
is opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen
premiebedrag. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
De Raad overweegt dienaangaande dat indien wordt overgegaan tot het
opleggen van een boete ingevolge artikel 12 van de CSV, de (hoogte van
de) boete wordt vastgesteld en opgelegd op grond van het op dat moment
geldende boeteregime. Voor het onderhavig geval betekent het voorgaande
dat ten tijde van de oplegging van de boetenota's over de jaren 1994 tot
en met 1997 bij besluiten van 15 maart 1999 de volgende van belang
zijnde regelingen van toepassing waren, het Besluit van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 december 1987, Stcrt. 1987, 252,
(Administratieve Boeten Coördinatiewet (ABC-besluit)), zoals gewijzigd
bij Besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, alsmede het Besluit
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen van 24 juni 1998,
Stcrt. 1998, 123 (Toepassing administratieve boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering). Uitgaande van deze besluiten is de Raad van
oordeel dat appellant ten tijde van de oplegging van de boetes in maart
1999 op juiste gronden is gekomen tot een boete van 25%.
Ten aanzien van een door gedaagde met betrekking tot de boetes gevoerd
buitenwettelijk beleid op grond waarvan de rechtbank het bestreden
besluit heeft vernietigd, merkt de Raad op dat dit beleid, zoals ook
namens appellant in het aanvullend hoger beroepschrift naar voren is
gebracht, slechts heeft gegolden in het jaar 1997. Dit beleid is, gelet
op het voorgaande, voor wat betreft de oplegging van de boetes in dit
geval niet meer van betekenis.
Met betrekking tot appellants tweede grief deelt de Raad de mening van
appellant dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft gegeven aan het
begrip "bijzondere omstandigheid" als bedoeld in artikel 7 van
het ABC-besluit. Met appellant is de Raad van oordeel dat hiermee wordt
bedoeld overmacht en rampsituaties. Hiervan is in het geval van gedaagde
geen sprake geweest.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant terecht over de jaren
1994 tot en met 1997 een administratieve boete van 25% heeft opgelegd
over de na te vorderen premiebedragen en dat gelet op de mate van aan
gedaagde toe te rekenen verwijtbaarheid een boete van 25% passend en
geboden is.
Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, niet in stand blijven en dient het inleidend beroep in
zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze in hoger beroep is
aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|