|
Uitspraak
00/5928
CSV, 00/6029 CSV en 00/6031 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 mei 2000 heeft het bestuursorgaan gedeeltelijk
gegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van
29 september 1998, waarbij hij op grond van artikel 16c, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijfsnaam] (hierna: de Adviesgroep) onbetaald gelaten sociale verzekeringspremies
over de jaren 1995 tot en met 1998, voorzover het betreft de perioden
van 5 november 1996 tot juni 1997 en van 1 april 1998 tot 1 augustus
1998, en het besluit van 29 september 1998 gehandhaafd voorzover het
betreft de perioden van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996 en van juni
1997 tot 1 april 1998.
De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 onder meer het
tegen het besluit van 15 mei 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard,
dat besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de periode van
1 juni 1997 tot 1 april 1998, bepaald dat het bestuursorgaan een nieuw
besluit neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze
uitspraak heeft overwogen, het bestuursorgaan veroordeeld in de
proceskosten van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het
griffierecht dient te vergoeden.
Belanghebbende is bij gemachtigde, mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij Das
Rechtsbijstand te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden
van die uitspaak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift ingediend.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 3 mei 2001
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Bij brief van 28 april 2003 zijn namens belanghebbende nog enige stukken
ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei
2003, waar belanghebbende in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Vis, voornoemd, en waar voor het bestuursorgaan zijn verschenen mr. F.W.M.
Keunen en mr. drs. R.H.L. Niehof, beiden werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken blijkt het volgende.
De Adviesgroep heeft nagelaten over de jaren 1995 tot en met 1998
premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten te voldoen.
Belanghebbende was met ingang van 1 augustus 1994 als directeur van
Adviesgroep ingeschreven in het handelsregister. Blijkens een uittreksel
uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is hij op 5 november
1996 geschorst als directeur. Belanghebbende is sedert juni 1997 wederom
werkzaam geweest voor de Adviesgroep, in de functie van interim-manager.
Belanghebbende heeft deze betrekking op 1 april 1998 per direct
opgegeven, waarbij hij heeft aangegeven nog wel enige maanden als
aanspreekpunt voor de Adviesgroep te willen functioneren. Blijkens een
uittreksel uit het handelsregister d.d. 7 januari 1999 is de onderneming
met ingang van 1 augustus 1998 opgeheven.
Ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV is,
voorzover hier van belang, hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en
voorschotpremie verschuldigd door een niet binnen het Rijk wonende of
gevestigde werkgever: de leider van zijn vaste inrichting binnen het
Rijk, zijn binnen het Rijk wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger, dan wel degene, die de leiding heeft van de hier te
lande verrichte werkzaamheden.
Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan overwogen dat
belanghebbende, voorzover het de periode van 1 augustus 1994 tot 5
november 1996 betreft, als directeur en bestuurder met onbeperkte
bevoegdheid van de Adviesgroep moet worden aangemerkt als degene die de
leiding had van de vaste inrichting binnen het rijk, de binnen het Rijk
wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger dan wel degene die de
leiding had van de in Nederland door de Adviesgroep verrichte
werkzaamheden, en ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a,
van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Adviesgroep niet
betaalde premies over deze periode.
Tevens heeft het bestuursorgaan bij dat besluit overwogen dat
belanghebbende ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van
de CSV eveneens hoofdelijk aansprakelijk is voorzover het de periode van
juni 1997 tot 1 april 1998 betreft. Daarbij heeft het bestuursorgaan van
belang geacht dat belanghebbende, ondanks het feit dat hij als
bestuurder in die periode geschorst was, zich heeft opgesteld als de
vaste vertegenwoordiger, dan wel degene die de leiding had van de hier
te lande verrichte werkzaamheden.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 het bestreden
besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de periode van 1
juni 1997 tot 1 april 1998, aangezien naar het oordeel van de rechtbank
op basis van de op dat moment beschikbare gegevens niet is komen vast te
staan dat belanghebbende gedurende deze periode belast was met de
leiding van de Adviesgroep. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat
indien het bestuursorgaan in het nieuw te nemen besluit op bezwaar tot
het oordeel komt dat belanghebbende in genoemde periode wel als leider
van de Adviesgroep kan worden aangemerkt, daarbij tevens aandacht dient
te worden besteed aan de vraag waarom is afgezien van
aansprakelijkstelling van de commercieel directeur [naam directeur], en
in hoeverre de aansprakelijkstelling jegens belanghebbende over die
periode in verband daarmee nog in stand kan blijven.
Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van
belanghebbende richt zich op het oordeel van de rechtbank dat
belanghebbende gedurende de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november
1996 als leider van de vaste inrichting kan worden aangemerkt. Het hoger
beroep van het bestuursorgaan ziet op de gegrondverklaring van het
beroep en de overweging met betrekking tot de aansprakelijkstelling van
[naam directeur].
De Raad overweegt als volgt.
De periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996
De Raad stelt voorop dat niet betwist wordt dat belanghebbende gedurende
de periode 1 augustus 1994 tot maart 1996 (mede) als een persoon als
bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV moet
worden aangemerkt. Ook de Raad is van oordeel dat belanghebbende, gelet
op de inschrijving in het handelsregister, in genoemde periode als
zodanig moet worden aangemerkt. Dat geldt naar het oordeel van de Raad
ook voor de periode van maart 1996 tot 5 november 1996. Door belanghebbende is ter zitting van de Raad
weliswaar gesteld dat hij vanaf maart 1996 geen bemoeienis meer had met
de Adviesgroep, doch daarvan blijkt niet uit de stukken. Verder acht de
Raad van betekenis dat belanghebbende zich vanaf maart 1996 niet als
bestuurder heeft laten uitschrijven uit het handelsregister.
Belanghebbende stelt verder dat hij ongelijk wordt behandeld ten
opzichte van de bestuurder van een Nederlandse rechtspersoon.
Laatstbedoelde bestuurder kan zich bij tijdige melding aan het
bestuursorgaan dat het niet tot betaling in staat is, disculperen van
het vermoeden van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Van
de kant van belanghebbende is gesteld dat dit in strijd komt met de
Richtlijn 68/151 EEG en de daarop gebaseerde Wet Conflictenrecht
Corporaties en de Wet op de Formeel Buitenlandse Vennootschappen. Verder
heeft belanghebbende ingezonden de conclusie van de Advocaat-generaal
van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari
2003 in de zaak C-167/01 (kamer van Koophandel en Fabrieken voor
Amsterdam tegen Inspire Art Ltd, vennootschap naar Engels recht), echter
zonder daaraan conclusies te verbinden.
Naar aanleiding hiervan merkt de Raad op dat belanghebbende niet als
bestuurder op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk is gesteld,
doch als een persoon als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en
onder a van de CSV. Reeds daarom kan de Raad belanghebbende niet volgen
in zijn grief dat hij als bestuurder van een vaste inrichting ongelijk
wordt behandeld ten opzichte van de bestuurder van een Nederlandse
rechtspersoon. Overigens kon door belanghebbende niet worden aangegeven
welk artikel van voornoemde richtlijn hier in geding is. Verder behoeft
de verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-generaal van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 2003 in de zaak
C-167/01 geen bespreking, nu van de kant van belanghebbende ter zitting
is toegegeven dat bij nader inzien geen sprake was van een belemmering
van het recht van vrije vestiging (artikel 43 EG-Verdrag).
De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van
belanghebbende niet slaagt en deswege de aangevallen uitspraak voorzover
door hem aangevochten dient te worden bevestigd.
De periode van 1 juni 1997 tot 1 april 1998
Het hoger beroep van het bestuursorgaan ziet primair op het oordeel van
de rechtbank dat op basis van de beschikbare gegevens niet is komen vast
te staan dat belanghebbende gedurende de interim-periode van juni 1997
tot 1 april 1998 belast was met de leiding van de Adviesgroep. Anders
dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat belanghebbende ook voor deze
periode als een persoon als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef
en onder a, van de CSV moet worden aangemerkt. De Raad heeft daarbij van
belang geacht dat belanghebbende in die periode, waarin hij [naam
directeur] wegens ziekte verving, als interim-manager feitelijk de
leiding van de onderneming had. Verder is voldoende komen vast te staan
dat hij in die periode op nagenoeg dezelfde wijze werkzaam is geweest
als in de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996. Weliswaar is door belanghebbende gesteld dat hij in de
interimpriode slechts een gering aantal uren werkzaam was, doch niet
ontkend wordt dat hij in die periode hetzelfde salaris verdiende als in
de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996. Uit de gedingstukken
blijkt verder dat hij gevolmachtigd was om directietaken uit te oefenen
en dat hij voor het Gak en de belastingdienst als aanspreekpunt
fungeerde. De Raad moet dan ook vaststellen dat, gelet op artikel 16c,
eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV, het bestuursorgaan
belanghebbende ook voor de hier in geding zijnde periode in persoon kan
aanspreken voor de premieschuld van de Adviesgroep.
Met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat het bestuursorgaan
bij een eventuele aansprakelijkstelling van belanghebbende mede dient te
betrekken de vraag waarom is afgezien van aansprakelijkstelling van de
commercieel directeur [naam directeur], en in hoeverre de
aansprakelijkstelling jegens belanghebbende over die periode in verband
daarmee nog in stand kan blijven, merkt de Raad het volgende op.De
artikelen 16a tot en met 16d van de CSV voorzien weliswaar in een
hoofdelijke aansprakelijkheid van rechtswege van in die artikelen nader
aangeduide personen en lichamen onder nader in die bepalingen geregelde
voorwaarden, maar de CSV geeft zelf verder geen regels voor een volgorde
die het uitvoeringsorgaan in acht dient te nemen, wanneer ten aanzien
van een bepaalde premieschuld meerdere personen of lichamen naast elkaar
hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. De beslissing van een
uitvoeringsorgaan om de ene persoon of het ene lichaam wel en de ander
niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen bevat deswege een "discretionair
moment", met het oog waarop de rechter de vraag dient te
beantwoorden of de keuze om bepaalde personen of lichamen hoofdelijk
aansprakelijk te stellen de toetsing aan de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur waaronder in het bijzonder het motiveringsbeginsel en
het zorgvuldigheidsbeginsel, kan doorstaan.
Hoewel niet valt uit te sluiten dat [naam directeur] na 1 juni 1997,
ondanks de omstandigheid dat hij als commercieel directeur vanaf die
datum was uitgeschreven uit het handelsregister, mede feitelijk leiding
gaf aan de Adviesgroep, betekent dit niet dat het bestuursorgaan gelet
op het vorenstaande verplicht was [naam directeur] (mede) aansprakelijk
te stellen. Van de kant van het bestuursorgaan is aangegeven dat hij
[naam directeur] niet (alsnog) aansprakelijk heeft gesteld voor de hier
in geding zijnde periode aangezien [naam directeur] reeds ten tijde van
zijn aansprakelijkstelling op 22 mei 2000 door het bestuursorgaan voor
de periode van 14 november 1996 tot 1 juni 1997 persoonlijk failliet was
en de verwachting was dat er uit dit faillissement geen uitkeringen
zouden kunnen worden gedaan. De Raad is van oordeel dat het
bestuursorgaan daarmee op voldoende wijze heeft aangegeven waarom hij
[naam directeur] niet (mede) aansprakelijk heeft gesteld voor de hier in
geding zijnde periode. De eerst ter zitting van de Raad naar voren
gebrachte stelling dat het bestuursorgaan ook drs. H. Finkers aansprakelijk had moeten stellen treft geen doel,
aangezien uit de stukken niet blijkt dat hij valt binnen de reikwijdte
van artikel 16c, eerste lid, aanhef onder a, van de CSV.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het bestuursorgaan
slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden
vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover door het bestuursorgaan
aangevochten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 15 mei 2000 alsnog
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van S. van
der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) S. van der Zee.
|
|