|
Uitspraak
00/6200
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 februari 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen het besluit van 31 juli 1998, waarbij zij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de
door [naam bedrijf] niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1992 tot en met 1994 zulks
ten bedrage van f 367.730,53 (€ 166.869,60).
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 25 oktober 2000 het namens
appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is bij gemachtigde mr. C.J.M. Veth, advocaat te Breda, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 20 maart 2001, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 april
2003, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Veth,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
P.G.J. Reurings, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is bestuurder geweest van de op 20 juni 1991 opgerichte en op
11 maart 1994 in staat van faillissement verklaarde vennootschap [naam
bedrijf]. Met de brieven van 26 mei 1993 en 19 november 1993 is de
vennootschap - dit naar aanleiding van haar brieven van 17 mei 1993 en 3
november 1993, waarbij gedaagde is gewezen op tijdelijke
liquiditeitsproblemen en waarbij is verzocht om uitstel van betaling -
door gedaagde gewezen op de op haar rustende verplichting ingevolge de
Wet bestuurdersaansprakelijkheid om betalingsonmacht tijdig te melden.
Namens de vennootschap is niet op deze brieven gereageerd.
Bij brief van 22 juni 1998 is appellante op de hoogte gesteld van het
voornemen van gedaagde om haar op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de over
1992 tot en met 1994 onbetaald gebleven premies tot een bedrag van in
totaal f 367.730,53 (€ 166.869,60), verschuldigd door [naam bedrijf]
en is zij in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat het niet
aan haar was te wijten dat de vennootschap niet aan haar verplichting
tot melding van betalingsonmacht heeft voldaan. Bij het primaire besluit
van 31 juli 1998 is appellante aansprakelijk gesteld voor voormeld
bedrag aan premies. Bij besluit van 11 februari 1999 heeft gedaagde het
primaire besluit gehandhaafd. Daarbij is appellante niet toegelaten tot
weerlegging van het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de
premies het gevolg is van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur, zulks op de gronden als reeds aangegeven in de brief van 22
juni 1998.
Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid
en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Namens de onderneming is bij brief van 17 mei 1993 aan verweerder
medegedeeld dat zij in de afgelopen tijd in liquiditeitsproblemen is
gekomen en dat een aantal maatregelen is genomen die ertoe moeten leiden
dat zij binnen afzienbare tijd aan haar betalingsverplichtingen kan
voldoen. In een brief van 3 november 1993 is namens de onderneming aan
verweerder bericht dat het nog niet is gelukt voor de volle 100% het
liquiditeitsprobleem op te lossen. In dat verband wordt namens de
onderneming een betalingsregeling voorgesteld.
Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat artikel
16d, tweede lid van de CSV in samenhang met het Besluit Meldingsregeling
CSV in beginsel een stringente en aan korte termijnen gebonden spontane
en expliciete meldingsplicht legt bij de onderneming die de premies niet
kan betalen.
Voornoemde brieven van mei en november 1993 kunnen in dat licht niet als
formele melding van betalingsonmacht in de zin van artikel 16d van de
CSV worden aangemerkt. Met name de tekstpassage in eerstgenoemde brief
dat een en ander nog niet ertoe heeft geleid dat de vordering van
verweerder tijdig kan worden betaald maar dat binnen afzienbare tijd
daarin verandering komt ziet niet op een expliciete melding van
betalingsonmacht. Hetzelfde geldt voor de brief van november 1993. De
daarin voorgestelde betalingsregeling en de tekstpassage dat het nog
niet is gelukt om het liquiditeitsprobleem voor de volle 100% op te
lossen zien evenzeer niet op een expliciete melding.
Nu niet (op de juiste wijze) is voldaan aan de in het tweede lid van
artikel 16d van de CSV bedoelde verplichting kon verweerder in
redelijkheid het wettelijk vermoeden inroepen dat de niet-betaling van
de premies aan eiseres als bestuurder van de onderneming is te wijten.
Voor de vraag of eiseres moet worden toegelaten tot het weerleggen van
dat rechtsvermoeden overweegt de rechtbank het volgende.
In het onderhavige geval is namens de onderneming niet correct de
betalingsonmacht gemeld. Evenwel was gelet op voornoemde brieven van de
onderneming aan verweerder in grote lijnen wel bekend hoe de financiële
situatie ervoor stond. In die situatie ligt het op de weg van verweerder
zich actief op te stellen teneinde meer informatie te krijgen over het
(beoogde) karakter van de brieven van de onderneming en voorts de
onderneming duidelijk en gericht op haar verplichtingen inzake het doen
van een melding betalingsonmacht te wijzen.
De rechtbank overweegt dat verweerder kort nadat hij van de onderneming
voornoemde brieven ontving hierop schriftelijk heeft gereageerd bij
brieven van 26 mei 1993 en 19 november 1993. In eerst genoemde brief is
verwezen naar de brief van de onderneming en is voorts opgemerkt dat
zulks niet als een melding betalingsonmacht wordt aangemerkt. Indien dit
een misverstand onzerzijds is, aldus verweerder, wordt de onderneming
uitgenodigd alsnog een meldingsformulier in te zenden. Voorts is in de
brief erop gewezen dat bij betalingsonmacht een melding moet worden
gedaan. In de brief van 19 november 1993 is medegedeeld dat de brief van
3 november 1993 niet wordt aangemerkt als een melding inzake
betalingsonmacht. Ook in die brief van verweerder wordt, indien een en
ander op een misverstand rust, de onderneming uitgenodigd alsnog een
meldingsformulier in te vullen.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de
rechtbank zich voldoende actief opgesteld teneinde meer duidelijkheid te
verkrijgen over de brieven van de onderneming en de onderneming te
wijzen op de verplichting inzake de melding van een betalingsonmacht.
De omstandigheid dat verweerder de onderneming niet expliciet heeft
gewezen op mogelijke consequenties van het niet doen van een melding in
de zin van artikel 16d, tweede lid van de CSV maakt het vorenstaande
niet anders. Verweerders brieven boden (in onderlinge samenhang bezien)
naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete en eenduidige
informatie over verweerders (voorlopige) standpunt inzake het karakter
van de brieven van de onderneming en boden voorts voldoende ruimte aan
de onderneming om daarop te reageren. Uit de omstandigheid dat de
onderneming niet reageerde, in samenhang met de inhoud van de brieven
van de onderneming, mocht verweerder opmaken dat de onderneming
blijkbaar niet had beoogd een melding van betalingsonmacht te doen in de
zin van artikel 16d van de CSV."
In het van de zijde van appellante in hoger beroep gestelde, dat in
essentie een herhaling is van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd,
ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank
is gekomen.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank zich terecht beperkt tot
de vraag of er een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht is gedaan,
als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV. Anders dan
appellante meent, kunnen de verzoeken om uitstel, gedaan in 1993 en
betrekking hebbende op de voorschotnota's 1993 en de afrekeningen 1992,
niet worden aangemerkt als meldingen van betalingsonmacht. Een verzoek
om uitstel behoeft nog geenszins te betekenen dat het lichaam niet in
staat is de door hem verschuldigde premies te betalen. De Raad wijst
hierbij ook op de brief van gedaagde van 26 mei 1993, waarop geen
reactie is gekomen.
De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat haar vader als
medebestuurder in de periode hier in geding ten onrechte niet hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld, nu dit eerst ter zitting naar voren is
gebracht, zodat daarop van de zijde van gedaagde niet naar behoren kan
worden gereageerd.
Onder verwijzing naar de overwegingen die de rechtbank aan de
aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, welke overwegingen de
Raad tot de zijne maakt, komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie
dat appellante terecht niet is toegelaten tot weerlegging van het
wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de premies het gevolg is
van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als
griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|