|
Uitspraak
00/6292
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 21 december 1999
heeft appellant gehandhaafd de correctienota's over de jaren 1994 tot en
met 1998, waarin zijn vervat correcties ter zake van bovenmatig
verstrekte onkostenvergoedingen (tourgelden), alsmede de boetenota's
over de jaren 1994 tot en met 1998 en de registratie van een eerste
verzuim.
De rechtbank Roermond heeft het tegen dat besluit namens gedaagde
ingestelde beroep bij uitspraak van 6 november 2000 gegrond verklaard en
het bestreden besluit vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift d.d. 26 maart 2001
aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen die
uitspraak.
Namens gedaagde heeft mr. R.A.J.C. Huijs, advocaat te Venlo, bij brief
van 21 mei 2001 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei
2003, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen
vertegenwoordigen door J.L.A. Bouwman en mr. D.B. Smaalders, werkzaam
bij het Uwv. Namens gedaagde is verschenen mr. Huijs, voornoemd, alsmede
[naam bestuurder], bestuurder bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Gedaagde maakt deel uit van een groep vennootschappen, waarvan de
hoofdzetel is gevestigd in Italië. De moedermaatschappij is tevens
belast met de centrale (loon)administratie van de diverse in
verschillende Europese landen gevestigde dochtervennootschappijen,
waarvan gedaagde er één is.
Gedaagdes bedrijfsactiviteiten zijn gericht op internationaal transport.
Gedaagde heeft daartoe alleen Duitse en Italiaanse chauffeurs in dienst.
Naar aanleiding van een op 12 maart 1999 van de kant van appellant
afgeronde looncontrole zijn aan gedaagde correctie- en boetenota's d.dis
12,13 en 23 augustus 1999 uitgereikt met betrekking tot de jaren 1994
tot en met 1998.
Deze correctie- en boetenota's hebben onder meer betrekking op de
onkostenvergoedingen (tourgelden) die gedaagde aan haar chauffeurs heeft
verstrekt.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat deze
onkostenvergoedingen ten dele als bovenmatig moeten worden aangemerkt,
zodat deze alsnog, ten dele, in de premieheffing voor de sociale
werknemersverzekeringen moeten worden betrokken.
Bij het bestreden besluit van 21 december 1999 heeft appellant, met
inachtneming van nadere bevindingen van de looninspecteur zoals
weergegeven in het rapport van 27 juli 1999 de correctie- en boetenota's
gehandhaafd.
Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant
is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres, het volgende
overwogen:
"Op grond van artikel 10, eerste lid van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) voert de werkgever een administratie met inachtneming
van door Onze Minister daaromtrent te stellen regels. Ingevolge het
tweede lid van genoemd artikel doet de werkgever met inachtneming van
door Onze Minister te stellen regels, opgave van het door de werknemer
genoten loon aan het Lisv. Indien een werkgever niet, niet juist of niet
volledig voldoet aan een op grond van artikel 10, tweede lid, gestelde
verplichting, stelt het Lisv ingevolge artikel 12, eerste lid, van de
CSV ambtshalve het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan
premie of voorschotpremie vast.
Artikel 12, tweede lid van de CSV bepaalt dat de ingevolge het eerste
lid vastgestelde premie of voorschotpremie wordt verhoogd met 100%. Deze
verhoging bedraagt 10% doch ten minste vijf gulden, voor zover het niet
voldoen aan een op grond van artikel 10, tweede lid, gestelde
verplichting niet aan opzet of grove schuld van de werkgever is te
wijten. De verhoging wordt als premie beschouwd. Het derde lid van
artikel 12 van de CSV bepaalt dat een verhoging als bedoeld in het
tweede lid door het Lisv volgens door Onze Minister te stellen regels
geheel of gedeeltelijk kan worden kwijtgescholden.
Ingevolge het bepaalde in artikel 12, lid 6 van de CSV stelt onze
Minister regelen vast met betrekking tot de toerekening van de in het
tweede lid bedoelde verhoging.
De rechtbank zal eerst het onderzoek van de looninspecteur bespreken.
Dat onderzoek heeft plaatsgevonden ten kantore van de accountant van
[gedaagde]. Aldaar was slechts een deel van de administratie voorhanden.
De rest van de administratie bevond zich deels bij de vestiging in
[vestigingsplaats] en deels bij het moederbedrijf in Italië.
Na opgemerkt te hebben, dat de grootboekadministratie en
loonadministratie goed verzorgd zijn wordt door de looninspecteur
aangegeven, dat een groot deel van de, voor de controle noodzakelijke,
onderliggende administratie in Italië is gearchiveerd. Met name geldt
dit voor de ritstaten. Daarom is een steekproef genomen over de maand
juli 1998, gevolgd door een aanvullende steekproef over de maand
september 1997. De resultaten zijn vervolgens geëxtrapoleerd naar de
totale gecontroleerde periode.
Deze methode kan de rechterlijke toets doorstaan, indien er sprake is
van een onvolledige administratie. Dat is in casu echter niet het geval.
Immers, de grootboek- en de loonadministratie zijn goed verzorgd en een
groot deel van de voor de controle noodzakelijke administratie is in
Italië.
De looninspecteur heeft de voor zijn controle noodzakelijke gegevens,
welke elders (in [vestigingsplaats] en Italië) aanwezig waren, niet
opgevraagd, maar heeft steekproeven genomen en vervolgens geëxtrapoleerd.
Een betrouwbaarder resultaat was verkregen, indien de looninspecteur
zich de gewenste gegevens had laten bezorgen. Dat had ook voor de hand
gelegen bij een internationaal opererende onderneming met de
moedervennootschap elders in de Europese Unie. Nu dat niet is gebeurd,
voldoet het onderzoek niet aan de daaraan te stellen
zorgvuldigheidseisen en had verweerder niet op basis van dat gebrekkig
onderzoek de thans bestreden besluiten mogen nemen.
Daarmee liggen die besluiten voor vernietiging gereed en komt de
rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige grieven."
Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank - kort samengevat
hierop neerkomend dat het onderzoek van de looninspecteur onvoldoende
zorgvuldig is geweest - niet verenigen en wil hierbij met name
benadrukken dat het oordeel van de looninspecteur inzake een goed
verzorgd grootboek- en loonadministratie geen betrekking heeft op onder
meer de ritstaten, de tachograafschijven en de rittenadministratie c.q.
de door gedaagde berekende tourgelden, welke bescheiden grotendeels in
Italië waren gearchiveerd en onontbeerlijk zijn om een eventuele
bovenmatigheid van deze tourgelden te kunnen beoordelen. Over de
vervolgens gehanteerde onderzoeksmethode is overeenstemming bereikt met
de voormalige adviseur van gedaagde. Evenwel bij deze steekproeven
bleken de door de werkgever aangeleverde stukken en bescheiden
(ritstaten en tachograafschijven) niet compleet aangeleverd te zijn.
Gelet op de afspraken met gedaagde ten tijde van het onderzoek en gelet
op de wijze van administreren is appellant van oordeel dat het onderzoek
wel zorgvuldig is geweest en dat eventuele afwijkingen voor risico van
gedaagde dienen te komen. Appellant heeft de Raad verzocht de
aangevallen uitspraak te vernietigen en de zaak overeenkomstig artikel
26, eerste lid, onder b van de Beroepswet naar de rechtbank terug te
wijzen.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4 van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit dienstbetrekking
wordt genoten loon vormt voor de premieheffing voor de sociale
werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste
lid, onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon
behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot
bestrijding van kosten.
Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel
ligt het, gelet ook op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en van
deze Raad, op de weg van degene die een beroep doet op deze
uitzonderingsbepaling, om de feiten en omstandigheden aannemelijk te
maken dat aan voornoemd criterium wordt voldaan.
In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank, is de Raad derhalve
van mening dat het niet aan appellant is om door middel van het opvragen
van noodzakelijke gegevens inzichtelijk te maken dat deze uitzondering
zich hier niet voordoet.
De Raad kan dan ook, mede gelet op de gedingstukken en het verhandelde
ter zitting, geen goede grond vinden voor het oordeel dat appellant bij
het desondanks vergaren van gegevens ten behoeve van de onderhavige
besluitvorming niet de vereiste zorgvuldigheid zou hebben betracht.
Op grond van het vorenoverwogene dient naar het oordeel van de Raad het
hoger beroep van appellant te slagen en kan de aangevallen uitspraak
niet in stand worden gelaten.
De Raad stelt daarbij vast dat de rechtbank in het kader van het beroep
van gedaagde tegen het bestreden besluit de aan gedaagde opgelegde
correcties in verband met bovenmatig verstrekte onkostenvergoedingen
inhoudelijk had moeten beoordelen. Omdat de rechtbank zulks heeft
verzuimd, acht de Raad termen aanwezig het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder
b, van de Beroepswet terug te
wijzen naar de rechtbank.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de
rechtbank zich over de inhoudelijke aspecten van het onderhavige geval
nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding appellant op grond van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorwaardelijk -
voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te
veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. De
proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 644,00 voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond;
Veroordeelt appellant voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep tot een bedrag € 644,00.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van S. van
der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) S. van der Zee.
|
|