|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/6338 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 29 juli 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen correctienota's, boetenota's en
registratie van een administratief verzuim.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 november 2000 het
namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard,
het bestreden besluit vernietigd voorzover betrekking hebbend op de
hoogte van de boete over 1996, de boete over 1996 bepaald op f 25.607,--
het beroep voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat gedaagde
aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Namens appellante, is mr. A.C.M. Roestenberg, advocaat en
belastingadviseur te Rotterdam, op bij beroepschrift (met bijlagen) van
8 december 2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 15 februari 2001 een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 mei 2003,
waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een horecaonderneming te [vestigingsplaats]. De
correctie- en boetenota's vinden hun oorzaak in de omstandigheid dat
appellante in de premiejaren 1995 en 1996 betalingen aan voor haar
werkzame personen heeft gedaan die niet in de loonadministratie zijn
verantwoord.
De hoogte van de correctienota's is gebaseerd op verklaringen van
werknemers en ex-werknemers van appellante, afgelegd jegens een
buitengewoon opsporingambtenaar van gedaagde, alsmede verklaringen door
personen afgelegd in het kader van een onderzoek door de regiopolitie
Rotterdam-Rijnmond. Aan de hand van deze verklaringen heeft gedaagde
blijkens het looncontrolerapport van 17 april 1997 de niet-verantwoorde
gewerkte uren in 1996 en 1997 geschat, uitgaand van een nettobeloning
van f 100,-- per gewerkte dienst.
In beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de aan de
correctienota's ten grondslag liggende schatting van de
niet-verantwoorde lonen ten onrechte is gebaseerd op voormelde
verklaringen, omdat deze veelal tegenstrijdig zouden zijn, terwijl een
aantal verklaringen afkomstig is van personen die bij appellante niet
bekend zijn.
De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste jurisprudentie gedaagde
in beginsel mag afgaan op in een ambtsedig proces-verbaal opgemaakte
verklaringen en dat voorts volgens vaste jurisprudentie in een situatie
als de onderhavige de ambtshalve vaststelling van premie mag geschieden
op basis van een redelijke schatting van verloonde bedragen. De
rechtbank heeft geen aanleiding gevonden de schatting onjuist te achten,
waartoe in aanmerking is genomen dat de aanwezige verklaringen,
inclusief de verklaring van appellantes directeur [naam directeur],
consistent zijn voorzover het aantal gewerkte uren, het aantal dagen
waarop gewerkt werd, het aantal mensen dat gemiddeld aan het werk was en
de hoogte van het loon betreft. Daartegenover heeft appellante geen
concrete, verifieerbare, gegevens overgelegd die afbreuk doen aan
gedaagdes berekening.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt ten aanzien van de aan
de correctienota's ten grondslag liggende verklaringen en schattingen
herhaald.
De Raad stelt allereerst vast dat zij zich met de overwegingen van de
rechtbank aangaande de hantering van de getuigenverklaringen door
gedaagde kan verenigen.
Ook in hoger beroep is van de kant van appellante niet duidelijk en
verifieerbaar aangegeven welke verklaringen tegenstrijdig zijn en welke
verklaringen afkomstig zijn van niet-bekende personen. De Raad merkt
hierbij nog op dat uit de verklaringen een duidelijk en nagenoeg zelfde
beeld van werkorganisatie, werken en belonen naar voren komt, zodat ook
op die grond gedaagde zich op deze verklaringen heeft kunnen baseren.
De Raad kan voorts niet inzien dat het arrest van het Gerechtshof te
's-Gravenhage van 15 november 2000 afbreuk kan doen aan gedaagdes
uitgangspunten bij de ambtshalve premievaststelling, nu dit arrest een
strafzaak betreft waaruit geen conclusies te trekken zijn ten aanzien
van de niet-verantwoorde loonbetalingen. Ditzelfde geldt voor het
proces-verbaal van 26 januari 2000 van de Regiopolitie
Rotterdam-Rijnmond, District Oost, Afdeling Recherche.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist
als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|