|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/1116 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 april 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellante
tegen de besluiten van respectievelijk 16 januari 1998 - gecorrigeerd
bij nota van 24 september 1998 -, 5 maart 1998 - gecorrigeerd bij nota's
van 16 maart 1998 en 24 september 1998 - en 9 oktober 1998, zijnde de nota's inzake de door
appellante over de jaren 1993 tot en met 1997 verschuldigde premies
ingevolge de werknemersverzekeringen, ongegrond verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 8 januari 2001 het beroep
van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is J.G.A. van Niekerk RA, gedelegeerd commissaris bij
appellante, op 15 februari 2001 van deze uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij brief van 9 mei 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 mei 2003,
waar namens appellante is verschenen J.G.A. van Niekerk, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
In geding is nog de vraag of appellante aan mogelijke uitlatingen van
een medewerker van gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen mocht
ontlenen dat met het betalen van een eenmalig bedrag van f 15.000,--
(€ 6.806,73) voldaan zou zijn aan de premiebetalingsverplichting over
genoemde jaren.
Appellante stelt in een telefonisch onderhoud met de heer [naam
medewerker], medewerker van gedaagde, de overeenkomst te hebben gesloten
dat met de betaling van genoemd bedrag alle premienota's over genoemde
jaren zouden zijn voldaan. In een later telefoongesprek zou deze
medewerker hebben medegedeeld dat er toch geen overeenkomst was
gesloten, omdat zijn leidinggevenden hier niet mee akkoord gingen.
Gedaagde weerspreekt dat een dergelijke overeenkomst tot stand is
gekomen en dat de heer [naam medewerker] slechts heeft gemeld dat hij
het voorstel zou voorleggen. Dit laatste staat ook vermeld in een door
gedaagde overgelegde telefoonnotitie van de hand van de heer [naam
medewerker].
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad moet sprake zijn van
ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van de kant van
gedaagde wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in een situatie als
de onderhavige voor honorering in aanmerking kunnen komen. In casu acht
de Raad geen sprake van dergelijke toezeggingen. Uit de zich in het
dossier bevindende telefoonnotitie van de heer [naam medewerker] blijkt
niet van gedane toezeggingen. De gemachtigde van appellante stelt aan de
rechtbank zijn eigen telefoonnotitie omtrent het telefoongesprek getoond
te hebben, waaruit wel van toezeggingen zou blijken. De Raad moet
vaststellen dat deze telefoonnotitie zich niet in het dossier bevindt en
uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank niet blijkt van
het overleggen van de notitie. Maar nog daargelaten de vraag of het
proces-verbaal op dit punt geheel volledig is geweest, zelfs al zou een
dergelijke telefoonnotitie getoond zijn, dan nog is de Raad van oordeel
dat niet gesproken kan worden van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde
toezeggingen van de kant van gedaagde.
Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist
als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van A.H. Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|