|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6159 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.B. Schaberg, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift van 14 januari 2003 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening
22 oktober 2002 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft onder dagtekening 7 februari 2003 van verweer gediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 8 april 2003 nog nadere
informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 mei 2003,
waar voor appellante is verschenen H.E. Ordelman, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Schaberg, voornoemd,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de
volgende feiten en omstandigheden.
Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft
gedaagde aan appellante correctie- en boetenota's over de jaren 1995 tot
en met 1999 opgelegd. De correctienota's zijn op 1 september 2000
verzonden en de boetenota's op 11 september 2000. Op 17 oktober 2000
heeft appellante bezwaar gemaakt tegen zowel de correctie- als de
boetenota's. Als reden voor overschrijding van de bezwaartermijn terzake
van de correctienota's heeft appellante aangegeven dat zij deze
aangelegenheid zowel met de looninspecteur als met de belastingdienst
wilde bespreken. Appellante voerde tijdens de hoorzitting tevens aan dat
zij, omdat de bezwaartermijn ten einde liep, telefonisch contact heeft
opgenomen met de afdeling Looninspectie van gedaagde en dat haar na
afloop van de bezwaartermijn geadviseerd is om pro forma een
bezwaarschrift in te dienen.
Gedaagde heeft bij beslissing op bezwaar van 17 september 2001 het
namens appellante ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens
overschrijding van de bezwaartermijn, voor zover dit was gericht tegen
de correctienota's. Daarbij heeft gedaagde geen grond aanwezig geacht om
deze overschrijding verschoonbaar te achten. Het bezwaar gericht tegen
de boetenota's heeft gedaagde ongegrond verklaard.
In beroep heeft de rechtbank overwogen dat het appellante bekend was
binnen welke termijn en op welke wijze tegen de besluiten - indien
gewenst - bezwaar diende te worden gemaakt. De rechtbank overwoog voorts
dat de aangevoerde omstandigheden aan het (zekerheidshalve) tijdig maken
van bezwaar niet in de weg behoefden te staan. Tevens is op geen enkele
wijze gebleken dat de looninspecteur mededelingen zou hebben gedaan
waaruit appellante mocht opmaken dat het tijdig maken van bezwaar niet
nodig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat van verschoonbaarheid van de
termijnoverschrijding derhalve geen sprake was en dat een overschrijding
met slechts enkele dagen niet tot een ander oordeel kon leiden. Met
betrekking tot de boetenota's was de rechtbank van oordeel dat gedaagde
terecht was uitgegaan van opzet dan wel grove schuld. De rechtbank kon
zich verenigen met hetgeen daaromtrent door gedaagde in het bestreden
besluit en in het verweerschrift was overwogen.
In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat ten
gevolge van een onduidelijke communicatie tussen de heer H.E. Ordelman
en de looninspecteur en de onduidelijke opstelling van gedaagde tijdens
de afwezigheid van de contactpersoon van gedaagde, het overschrijden van
de termijn is veroorzaakt. Vragen aan gedaagde naar de consequenties van
het verstrijken van de termijn, zijn beantwoord door een niet
deskundige. Overschrijding van de termijn met slechts enkele dagen dient
naar de mening van appellante verschoonbaar te zijn. Appellante
benadrukt dat zij binnen de termijn van zes weken telefonisch contact
heeft opgenomen met gedaagde in verband met het tijdig indienen van een
bezwaarschrift. Appellante is van mening dat wanneer een medewerker van
gedaagde een onjuist advies geeft over het verlopen van de termijn,
zulks haar niet verweten kan worden.
De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of gedaagde appellante
bij besluit van 17 september 2001 terecht en op juiste gronden
niet-ontvankelijk heeft verklaard, in haar bezwaar tegen de
correctienota's omdat appellante niet binnen de ingevolge artikel 6:7
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken
een bezwaarschrift heeft ingediend. Op het punt van de boetes is de
aangevallen uitspraak op geen enkele wijze gemotiveerd bestreden zodat
dit niet langer in geschil is.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank en op de gronden
die de rechtbank heeft gebezigd, bevestigend. De Raad is van oordeel dat
er in dit geval geen sprake is van een verschoonbare
termijnoverschrijding. Beslissend acht de Raad te dezen dat op de
achterzijde van de correctienota's van 1 september 2000 staat vermeld op
welke wijze en binnen welke termijn appellante een bezwaarschrift had
kunnen indienen.
Het door appellante aangevoerde dat door de onduidelijke opstelling van
gedaagde de termijnoverschrijding is veroorzaakt, is voor rekening en
risico van appellante.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak,
voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van A.H.
Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.
|
|