|
Uitspraak
00/5277
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 3 september 1998, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de
door de [naam BV] (hierna: [naam BV]) verschuldigde, doch niet betaalde
premie en boete voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de
jaren 1997 en 1998, zulks ten bedrage van f 1.560.655,32
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 5 september 2000
het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is bij gemachtigde, mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk
bij Duurstede, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van
die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is bij brief van 18 maart 2003 nog een vanwege de Raad
gestelde vraag beantwoord en is bij brief van 28 maart 2003 nog een stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei
2003, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde is
verschenen bij zijn gemachtigde mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was van 26 augustus 1997 tot 25 maart 1998 bestuurder van
[naam BV]. Op 25 maart 1998 is [naam BV] failliet verklaard.
Appellant heeft op 26 februari 1998 een melding gedaan van
betalingsonmacht van [naam BV], welke melding op 8 april 1998 door
gedaagde als rechtsgeldig is aangemerkt.
Gedaagde heeft de curator van appellant vervolgens bij brief van 17 juli
1998 in kennis gesteld van zijn besluit de over 1997 ambtshalve
vastgestelde premie te verhogen met een boete van 100% en het gepleegde
verzuim als zodanig te registreren.
Bij besluit van 3 september 1998 heeft gedaagde appellant op grond van
artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld voor over 1997 en 1998
onbetaald gebleven premie en boete ten bedrage van f 1.560.655,32. Bij
besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd.
Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de niet betaling van de premies
over 1997 en 1998 te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van
appellant.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 5 september 2000
het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is in hoger beroep gekomen, heeft het kennelijk onbehoorlijk
bestuur zijnerzijds betwist en in dat verband gesteld dat hij als
bestuurder adequate maatregelen heeft genomen. Verder heeft hij
aangeboden te bewijzen dat er niet voldoende geld aanwezig was om de
oude premieschulden te voldoen en dat er ook andere bestuurders waren in
de periode van drie jaar voor de melding van de betalingsonmacht.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is,
voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is
onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de
volgende leden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in
het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet
tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het
uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere
inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder
is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid
bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van
artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk
is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg
is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Partijen houdt primair verdeeld het antwoord op de vraag of gedaagde in
de periode waarin appellant bestuurder was aannemelijk heeft gemaakt dat
het onbetaald blijven van de onderhavige premieschuld het gevolg is van
aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank heeft die
vraag bevestigend beantwoord en in verband daarmee het volgende
overwogen, waarbij appellant als eiser is aangemerkt en gedaagde als
verweerder.
"De rechtbank overweegt dienaangaande met betrekking tot eisers
bestuurdersperiode dat eiser in elk geval na de waarschuwing van de
notaris op de hoogte was van de slechte boekhouding van [naam BV]. Voor
eiser had voorts het gegeven dat de verkoper van het bedrijf geen
balansgarantie wilde afgeven reden moeten zijn te beseffen dat het
risico bestond dat [naam BV] - de totale financiële situatie beziend -
in een ongunstige financiële positie verkeerde. Toen eiser vervolgens
bleek dat er sprake was van een slechte financiële situatie van het
bedrijf, heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet adequaat
genoeg gereageerd. Eiser heeft, blijkens zijn eigen stelling, immers
niet anders gedaan dan de jaarstukken over 1996 in orde maken. Zoals
door verweerder is gesteld, had eiser het bedrijf kunnen beëindigen op
het moment dat de situatie als uitzichtloos moest worden ingeschat, of
had hij meer concrete acties moeten ondernemen om het bedrijf te redden
(zoals het maken van afspraken met crediteuren). Het had eiser duidelijk
moeten zijn dat het bij betaalautomaten opnemen van grote geldbedragen
voor het uitbetalen van uitzendkrachten - zoals hij beweert te hebben
gedaan - geen blijvende oplossing voor het bedrijf kon zijn en dat dit
onder andere de positie van verweerder als preferent schuldeiser
beduidende schade toebracht.
Voorts is het vast jurisprudentie van de CRvB (zie RSV 1996/142 en 128)
dat een bestuurder verantwoordelijk is voor de financiële situatie van
zijn bedrijf en dat van hem mag worden verwacht dat hij adequate
maatregelen neemt. Eiser kan zich naar het oordeel van de rechtbank dan
ook niet verschuilen achter de bewering dat de hele situatie binnen het
bedrijf hem (nog) niet volledig duidelijk was.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd
dat eiser zijn stellingen op geen enkele wijze met relevante stukken
heeft onderbouwd. Dat belangrijke delen uit de administratie van [naam
BV], zoals het kasboek, bij zijn accountant [naam accountant] of bij de
curator van [naam BV] zouden liggen, zoals eiser heeft verklaard, had
hem er, in het licht van het verslag van bevindingen van de curator, toe
moeten bewegen zelf contact met deze personen op te nemen. Eiser heeft
in dat opzicht evenwel geen enkele actie ondernomen. Evenmin heeft eiser
aan de hand van concrete stukken aangetoond dat hij destijds met een reëel,
voor verweerder aanvaardbaar te achten betalingsvoorstel met betrekking
tot de verschuldigde premies is gekomen."
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de
overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, tot de zijne. De Raad
gaat er daarbij vanuit dat appellant niet eerder dan op 26 februari 1998
een melding heeft gedaan van betalingsonmacht van [naam BV], welke
melding op 8 april 1998 door gedaagde als rechtsgeldig is aangemerkt.
Dat appellant zoals hij stelt reeds eerder een zodanige melding heeft
gedaan is niet gebleken.
Evenmin heeft appellant zijn overige in hoger beroep herhaalde
stellingen met concrete gegevens onderbouwd, zodat de Raad aan die
stellingen voorbij gaat.
Voorts dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant door gedaagde
eveneens aansprakelijk kon worden gesteld voor de premies die betrekking
hebben op de periode voor zijn aantreden als bestuurder van [naam BV].
De rechtbank heeft deze vraag eveneens bevestigend beantwoord en in
verband daarmee het volgende overwogen.
"Op basis van de ter zake geldende wettelijke bepalingen kan eiser
in beginsel voor het geheel van de onbetaald gebleven premies
aansprakelijk worden gesteld. Ook voor de premies die betrekking hebben
op de periode voordat eiser formeel bestuurder van [naam BV] werd. In de
Memorie van Toelichting op wetsontwerp 16530, zittingsjaar 1980-1981, is
aangegeven dat de bestuurder ook aansprakelijk is voor de bij zijn in
functie treden als bestuurder reeds bestaande premieschulden. Een beroep
op disculpatie zal over het algemeen gemakkelijk slagen volgens de
toelichting. Een nieuwe bestuurder is echter wel aansprakelijk voor oude
premieschulden als het lichaam deze niet betaalt terwijl er wel
voldoende geldmiddelen aanwezig zijn. Gelet hierop moet de nieuwe
bestuurder dus aannemelijk maken dat er niet voldoende geld aanwezig was
om de premieschulden te betalen en dat het niet mogelijk is gebleken
maatregelen te treffen om de schuld toch nog te voldoen, zodat de
niet-betaling aan hem te wijten is.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat
[naam BV], op en direct na de datum waarop eiser als bestuurder aantrad
bij deze vennootschap, financieel geheel in de onmogelijkheid verkeerde
aan de bestaande premieplicht te voldoen."
De Raad onderschrijft ook dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen, en maakt deze tot de zijne. De Raad
wijst in dit verband op de opgenomen gelden bij betaalautomaten die
appellant heeft aangewend voor de betaling van uitzendkrachten. Aan dit
oordeel doet niet af dat appellant meende die betalingen te moeten doen
om te voorkomen dat hij werknemers zou kwijtraken, voor welke keuze en
de daaruit voortvloeiende gevolgen hij als bestuurder verantwoordelijk
is.
Voorts wijst de Raad erop dat, zoals reeds in het besluit van 3
september 1998 staat vermeld, ook [naam bestuurder] voor de onbetaald
gebleven premies aansprakelijk is gesteld.
De Raad ziet ten slotte in de in de omstandigheid dat appellant
verwikkeld is in een strafprocedure geen aanleiding om tot een
aanhouding van deze zaak over te gaan, aangezien naar het oordeel van de
Raad er geen relatie bestaat tussen deze procedure en het onbetaald
gebleven zijn van de premies waar het in het onderhavige geding om gaat.
Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding om
toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|