|
Uitspraak
00/6149
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is drs. L. van Leeuwaarden, belastingadviseur te
Capelle aan den IJssel, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
d.d. 9 januari 2001 aangegeven gronden, bij de Raad in hoger beroep
gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 16
oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is bij schrijven van 26 april 2001 (met bijlagen) van
verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei
2003, waar namens appellante is verschenen drs. Van Leeuwaarden, voornoemd. Appellante heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. W.M.G. van Nieuwburg, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante hield zich bezig met het uitzenden van arbeidskrachten,
waarbij zij gebruik maakte van een op naam van haar vennoten gestelde
uitzendvergunning. De vennootschap onder firma is op 11 februari 1993
bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.
Op 8 februari 1995 richtten de vennoten van appellante middels de
houdstervennootschap [naam houdstervennootschap] de besloten
vennootschap [naam besloten vennootschap] op. De voorheen door
appellante uitgevoerde activiteiten werden op 8 februari 1995 overgeheveld naar [naam besloten vennootschap] Na
overheveling van de uitzendactiviteiten maakte het Centraal Bestuur voor
de arbeidsvoorziening de vennootschap attent op het feit dat met de
bestaande uitzendvergunning geen uitzendactiviteiten op naam van [naam
besloten vennootschap] mogen worden uitgevoerd. Op grond hiervan zijn
blijkens de gedingstukken vervolgens de activiteiten van [naam besloten
vennootschap] met terugwerkende kracht gestaakt, temeer omdat er tot dan
toe geen activiteit in de B.V. had plaatsgevonden. Voorts zijn op
verzoek van één der vennoten van appellante ingaande 8 februari 1995
de "lusten en lasten" van de B.V. door appellante overgenomen.
Na een bij appellante gehouden looncontrole heeft gedaagde, na
gedeeltelijke gegrond verklaring van het bezwaar van appellante, bij
besluit van 28 juni 1999 de eerder opgelegde correctienota's betrekking
hebbende op de jaren 1994 en 1995 voor het overige gehandhaafd. Deze
correctienota's hebben betrekking op het feit dat appellante over 1994
verzuimd heeft opgave te doen van het loon van het technisch personeel
en dat appellante voor het jaar 1995 verzuimd heeft jaaropgavekaarten
bij gedaagde in te dienen ter zake van het door haar werknemers genoten
loon. Voorts heeft gedaagde tevens boetenota's over voornoemde jaren
opgelegd ter zake van niet, niet juist of niet volledig voldoen aan de
loonopgaveverplichting en is een administratief verzuim geregistreerd.
Tijdens de behandeling van het geding bij de rechtbank heeft gedaagde
ter zake van de correctie over het jaar 1995 een nieuw besluit d.d. 7
juli 2000 genomen, waarbij het premiebedrag over 1995 met een bedrag van
f 3.980,-- is verlaagd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het
beroep tegen het bestreden besluit van 28 juni 1999 gegrond dient te
worden verklaard voor zover daarbij, gelet op het door gedaagde genomen
nieuwe besluit van 7 juli 2000, de correctie- en boetenota over 1995
zijn gehandhaafd. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit
van 28 juni 1999 voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep
gericht tegen het nader genomen besluit van 7 juli 2000 alsmede de
daarmee, door de rechtbank aangenomen, samenhangende wijziging van de
boetenota over 1995, is ongegrond verklaard.
Namens appellante zijn tegen deze uitspraak de volgende grieven
aangevoerd.
Allereerst wordt namens appellante aangevoerd dat de premie- en
boetenota's vernietigd dienen te worden vanwege een foutieve
tenaamstelling en adressering. Gedaagde was ten tijde van de oplegging
van de nota's op de hoogte van het feit dat appellante inmiddels
ontbonden was en had derhalve de voormalige vennoten dienen aan te
spreken. Voorts is het op de nota vermelde adres niet juist, aangezien
dit het privé-adres is van één der vennoten en niet dat van
appellante.
Ten tweede wordt namens appellante aangevoerd dat met betrekking tot de
premienota over het jaar 1995 voor wat betreft de periode 8 februari
1995 tot en met 27 oktober 1995 niet appellante maar [naam besloten
vennootschap] als werkgever aangemerkt had moeten worden, zodat in deze
ten laste van appellante ten onrechte de correctie- en boetenota over
1995 voor wat betreft laatstgenoemde periode is vastgesteld.
Voorts is appellante de mening toegedaan dat de boetenota vernietigd
dient te worden aangezien de gronden waarop de boete berust niet op een
juiste wijze en tijdig aan appellante zijn meegedeeld. Appellante voert
hiertoe aan dat de kennisgeving van 9 oktober 1998 aan appellante
geadresseerd is met het adres [adres] te [plaatsnaam], terwijl de
boetenota is geadresseerd, eveneens aan appellante maar dan met het
adres: [adres] te [vestigingsplaats].
Indien voornoemd standpunt niet gehandhaafd kan worden, is appellante
van mening dat er geen sprake is geweest van ernstige en
verhoudingsgewijze fraude.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot de eerste grief van appellante is de Raad van oordeel
dat deze grief niet kan slagen. Zoals de Raad reeds, zoals ook door
gedaagde in zijn verweerschrift is aangegeven, eerder heeft overwogen,
vide 's Raads uitspraak van 13 augustus 1998, gepubliceerd in RSV 1998/ 320, wordt ingevolge artikel
3 van de CSV, de artikelen 9 en 1, aanhef en onder f, van de Ziektewet,
de artikelen 8 en 1, aanhef en onder f, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 9 en 1, aanhef en onder
g, van de Werkloosheidswet, en artikel 5, derde lid, van de
Ziekenfondswet, een vennootschap onder firma, waartoe een of meerdere
natuurlijke personen in dienstbetrekking staan, als werkgever
aangemerkt. Uit dit stelsel van regels volgt dat gedaagde, terecht de
premies alsmede verhogingen op grond van het bepaalde in artikel 12 van
de CSV aan appellante als werkgever heeft opgelegd. Bovendien blijkt uit
een Gak-rapport van 11 juli 1996 dat juist op instigatie van één der vennoten van
appellante, [naam vennoot 1], hierom uitdrukkelijk is verzocht. Door
deze vennoot is aangegeven dat de besloten vennootschap met
terugwerkende kracht is gestopt met activiteiten en dat appellante als
VOF met ingang van 8 februari 1995 alle lusten en lasten zou
overnemen.
Ook appellantes grief met betrekking tot de (onjuiste) adressering kan
geen doel treffen. Afgezien van het feit dat het op de weg van
appellante ligt, het juiste adres aan gedaagde mee te delen, hetgeen
niet is geschied, is de Raad gebleken dat de correctie- en boetenota's,
die na een door gedaagde uitgevoerd adresonderzoek zijn verzonden, niet
bij gedaagde retour zijn gekomen. Tevens kan niet staande worden
gehouden dat appellante hierdoor in haar belangen is geschaad aangezien
tegen de nota's tijdig bezwaar bij gedaagde is ingesteld. De Raad kan
uit het vorenstaande niet anders dan concluderen dat de nota's
appellante (tijdig) hebben bereikt.
Naar aanleiding van de grief dat niet appellante maar de besloten
vennootschap voor wat betreft de periode van 8 februari 1995 tot en met
27 oktober 1995 als werkgever aangemerkt dient te worden, merkt de Raad
op deze grief niet te kunnen plaatsen gelet op hetgeen in het rapport d.d.
11 juli 1996 is gesteld, dat appellantes vennoot, [naam vennoot 1], zelf
heeft aangegeven dat appellante met terugwerkende kracht (ingaande 8
februari 1995) de lusten en lasten van de besloten vennootschap zou
overnemen waarna gedaagde overeenkomstig de afspraak de nota's aan haar
heeft opgelegd. Deze grief dient dan ook te falen.
Voor wat betreft de eerst in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat
de gronden waarop de boete berust niet op een juiste wijze en tijdig aan
appellante zijn meegedeeld, merkt de Raad op dat door het besluit van 7
juli 2000 inzake een nadere bijstelling van de premiecorrectie de
grondslag van de oorspronkelijk boetenota van 12 oktober 1998 is komen
te vervallen.
Het is de Raad uit de gedingstukken, noch ter zitting van de Raad,
gebleken dat gedaagde in het verlengde van het besluit van 7 juli 2000
inmiddels een nader besluit ten aanzien van de administratieve boete
heeft genomen. Voor zover gedaagde hiertoe alsnog zal overgaan overweegt
de Raad het navolgende.
Gelet op hetgeen namens appellante ten aanzien van de administratieve
boete is aangevoerd, is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken
niet is af te leiden dat appellante de kennisgeving d.d. 9 oktober 1998
niet vóór dan wel niet gelijktijdig met de boetenota zou hebben
ontvangen. Noch in bezwaar noch in beroep bij de rechtbank zijn namens
appellante hieromtrent grieven aangevoerd. Dat de kennisgeving en het
boetebesluit naar verschillende adressen zijn gezonden, brengt nog niet
met zich, dat appellante daardoor de brief van 9 oktober 1998 niet voor
dan wel niet tegelijkertijd met het boetebesluit van 12 oktober 1998 zou hebben ontvangen. Nu namens appellante deze grief
niet nader concreet is onderbouwd, blijft deze grief steken in
veronderstellingen. Ook deze grief kan niet tot het door appellante
gewenste resultaat leiden.
Ten aanzien van de grief dat er geen sprake zou zijn van ernstige en
verhoudingsgewijze fraude, verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank
hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne.
Wat betreft het beroep namens appellante ter zitting van de Raad op
overschrijding van de redelijke termijn, is de Raad van oordeel dat dit
beroep geen doel treft. De Raad is van oordeel dat deze termijn, die
voor wat betreft de correctienota's is gaan lopen vanaf het moment dat
er sprake was van een geschil en die ten aanzien van boetes een aanvang
heeft genomen met de mededeling dat men voornemens is om deze op te
leggen, niet dermate lang is dat er sprake is van een overschrijding van
de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover
deze in hoger beroep is aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|