|
Uitspraak
01/537
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [vestigingsplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. P.J.B.G. Schrijver, advocaat te
[vestigingsplaats], op bij aanvullend beroepschrift van 12 april 2001
aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Amsterdam op 11 december 2000 gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een op 15 mei 2001 gedagtekend verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 juni
2003, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr.
Schrijver, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een anonieme tip heeft het Confectie Interventie
Team op 2 september 1997 een inval gedaan in een kelderruimte aan de
[adres] te [vestigingsplaats]. Aldaar werd aangetroffen een
confectieatelier waar 7 illegaal in Nederland verblijvende personen
bezig waren met het vervaardigen van kleding. Het atelier was niet
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Het huurcontract,
de energienota en de telefoonaansluiting stonden op naam van appellant.
Gedaagde heeft mede op grond van de verklaringen van [naam beheerder],
beheerder van een aantal panden van [naam B.V.], en 4 van de 7 aangetroffen illegalen op basis van het
elektraverbruik een berekening van de loonsom gemaakt, omdat er over de
jaren 1995, 1996 en 1997 geen premies inzake de sociale
werknemersverzekeringen waren afgedragen. Gedaagde heeft bij besluiten
van 15 en 17 april 1998 onder toepassing van artikel 12, eerste lid van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) appellant correctienota's
doen toekomen over de jaren 1995 tot en met 1997. Bij besluiten van 22 april 1998 heeft gedaagde onder toepassing van artikel 12, tweede
lid, van de CSV boetenota's opgelegd over deze premiejaren.
Bij het bestreden na bezwaar genomen besluit van 5 juli 1999 heeft
gedaagde de correctie- en boetenota's gehandhaafd, met dien verstande
dat de boetenota over het jaar 1997 is verlaagd tot 100% van de
ambtshalve vastgestelde premie over dat jaar.
De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde op goede gronden heeft
aangenomen dat in de kelderruimte van 1995 tot en met 2 september 1997
confectiewerkzaamheden werden verricht en dat appellant als werkgever
voor die werkzaamheden moet worden aangemerkt. Derhalve heeft gedaagde
terecht besloten dat appellant premieplichtig was over de door hem
buiten de loonadministratie gedane betalingen in verband met de ten
behoeve van hem verrichte confectiewerkzaamheden. Daarnaast heeft de
rechtbank geoordeeld dat sprake is van ernstige en verhoudingsgewijs
omvangrijke fraude en de hoogte van de door gedaagde opgelegde boetes
onaangetast gelaten.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de verwijzing van de
rechtbank naar de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 23
februari 1999 opmerkelijk is omdat de Hoge Raad deze uitspraak bij
arrest van 14 juni 2000 heeft gecasseerd, en het geding ter verdere
behandeling terug heeft verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Daarnaast is het, mede in het licht van de verklaring van P, naar de
mening van appellant onbegrijpelijk dat de rechtbank de verklaringen van
H. volledig passeert, waarbij wordt opgemerkt dat appellant geen al te
grote inspanningen heeft verricht om de keldersleutel terug te krijgen
van H. in verband met de drukke werkzaamheden van appellant
voortvloeiende uit de aankoop van zijn huidige snackbar. Ten slotte is
namens appellant naar voren gebracht dat gedaagde onvoldoende
gemotiveerd heeft waarom er sprake zou zijn van ernstige en
verhoudingsgewijs omvangrijke fraude, dat de boetes onevenredig hoog
zijn en dat geen rekening is gehouden met de financiële positie van
appellant.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen en
verwijst naar de overwegingen die de rechtbank gebezigd heeft.
Het feit dat in de verklaring van een medewerker van de verhuurder van
de kelderruimte ligt besloten dat er regelmatig mensen in de kelder
werkzaam waren, maar met name het hoge energieverbruik waar appellant
geen geloofwaardige overtuigende verklaring voor heeft kunnen geven,
zijn voor de Raad van doorslaggevende betekenis voor het oordeel dat de
kelderruimte niet uitsluitend werd gebruikt als opslagruimte voor de
daar aangetroffen machines. Dat appellant als werkgever aangemerkt dient
te worden vloeit naar het oordeel van de Raad voort uit de hierna
volgende feiten en omstandigheden. Het huurcontract van de kelderruimte
stond op naam van appellant en hij betaalde ook de huur. De aanwezige
telefoonaansluiting stond op naam van appellant en hij betaalde de
abonnements- en gesprekskosten. De aangetroffen machines waren in
eigendom van appellant en hij handelde op markten in zelfvervaardigde
kleding en ongeregelde goederen. De Raad komt op grond hiervan tot de
conclusie dat alle productiemiddelen van appellant zijn en alle
productiekosten voor zijn rekening komen, waarbij opgemerkt wordt dat
appellant tevens beschikte over afzetmogelijkheden van de vervaardigde
producten.
Ten aanzien van de hoogte van de verloonde bedragen is de Raad van
oordeel dat de schatting zoals door gedaagde is gemaakt op basis van het
energieverbruik alleszins reëel is te noemen en dat de Raad niet
gebleken is dat gedaagde daarbij onredelijke uitgangspunten heeft
gehanteerd. Voor zover deze schatting zou afwijken van het daadwerkelijk
betaalde loon ligt dit in verband met het ontbreken van een
loonadministratie in de risicosfeer van appellant.
Anders dan appellant is de Raad onder verwijzing naar hetgeen gedaagde
in de beslissing op bezwaar van 5 juli 1999 heeft opgemerkt van oordeel
dat gedaagde afdoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van ernstige
en omvangrijke fraude, hetgeen tevens bepalend is voor de hoogte van de
boetes. Ten aanzien van de eerst in hoger beroep naar voren gebrachte
grief dat gedaagde de financiële positie van appellant niet betrokken
heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boetes merkt de Raad op
dat de overgelegde stukken ter staving van deze grief in het geheel geen
inzicht geven in de daadwerkelijke financiële positie van appellant.
Wat het beroep van appellant op de overschrijding van de redelijke
termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM betreft, is de Raad van oordeel
dat dit beroep ten aanzien van de opgelegde correctienota's geen doel
treft. Ten aanzien van de opgelegde boetenota's oordeelt de Raad dat
appellant ten tijde van het verhoor door een opsporingsambtenaar van
gedaagde d.d. 27 oktober 1997 kon menen verdacht te zijn van het niet voldoen aan
het bepaalde in de artikelen 10 en 12 van de CSV. Nadien zijn inmiddels
meer dan vijf jaren verstreken. De Raad is van oordeel dat deze termijn
dermate lang is dat er sprake is van overschrijding van de redelijke
termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad vindt hierin
aanleiding om de opgelegde boetes met 10% te matigen. Onder toepassing
van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
stelt de Raad de aan appellant opgelegde boete vast op 90% van de
ambtshalve vastgestelde premie.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraak
voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de opgelegde boetenota's de
rechterlijke toets kunnen doorstaan, voor vernietiging in aanmerking
komt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beide instanties begroot op € 1.288,--.
Ten slotte bepaalt de Raad dat gedaagde zowel het in eerste aanleg als
in hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 510,50 (f
1.125,--) aan appellant vergoedt.
Beslist wordt derhalve als in rubriek III van deze uitspraak is
weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de
ten aanzien van appellant opgelegde boetes in stand heeft gelaten;
Verklaart het inleidende beroep in zoverre gegrond en vernietigt dit
besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt de boetes ten aanzien van appellant op 90% van de ambtshalve
vastgestelde premie en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant de betaalde rechten tot een bedrag van € 510,50 (f 1.125,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|