|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4299 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit gedateerd 7 juni 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 november 1999, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringen verschuldigd door [bedrijfsnaam] over de premiejaren 1994 en 1995.
Bij beroepschrift van 6 december 2001 is appellant tegen genoemd besluit
bij de rechtbank Assen in beroep gekomen.
Bij uitspraak van 12 juli 2002 heeft de rechtbank het beroep wegens
niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Bij beroepschrift van 19 augustus 2002 is mr. J. Bonkes, advocaat te
Coevorden, van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 1 november 2002 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 mei
2003, waar voor appellant is verschenen mevrouw [naam echtgenote],
echtgenote van appellant, bijgestaan door mr. J. Bonkes, voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L.
Niehof, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is het antwoord op de vraag of de rechtbank appellant terecht
wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn
beroep.
De Raad gaat uit van de volgende vastgestelde feiten en omstandigheden.
Het besluit van 7 juni 2000 is niet aangetekend of met bericht van
ontvangst aan gemachtigde van appellant verzonden. Gedaagde heeft de
verzending op 7 juni 2000 ook niet door middel van een
postregistratiesysteem of anderszins kunnen aantonen. Nadat op 2
augustus 2000 door gemachtigde van appellant is geïnformeerd naar de
stand van zaken, heeft gedaagde eerst op 25 april 2001 een reactie op de
brief van 2 augustus 2000 aan gemachtigde van appellant gezonden.
Vervolgens is een aangetekend verstuurd poststuk bij gedaagde retour
gekomen met de aantekening "niet afgehaald". Deze brief is per
gewone post nogmaals verzonden aan gemachtigde op 28 mei 2001. Na een
telefonisch verzoek hiertoe van gemachtigde is een afschrift van het
besluit op bezwaar van 7 juni 2000 op 12 november 2001 aan genoemde
gemachtigde gestuurd, waarop deze op 6 december 2001 beroep heeft
aangetekend bij de rechtbank. Appellant en zijn gemachtigde ontkennen
nadrukkelijk de ontvangst van brieven voorafgaand aan de toezending van
het desbetreffende besluit op bezwaar bij brief van 12 november 2001.
De Raad overweegt als volgt.
Voor de Raad is niet komen vast te staan dat het besluit op bezwaar van
7 juni 2000 op de juiste wijze aan gemachtigde van appellant is
bekendgemaakt. Zoals ter zitting van de Raad door gemachtigde van
gedaagde is verklaard, is deze brief op dan wel omstreeks die datum
kennelijk niet aangetekend aan gemachtigde van appellant verzonden.
Gezien de bijzondere processuele omstandigheden van het onderhavige
geval in onderling verband bezien, is de Raad, in het licht ook van het
verhandelde te zijner zitting, niet tot de overtuiging kunnen komen dat
de aangetekende verzending van de brief van 25 april 2001 metterdaad
heeft plaatsgevonden.
De Raad is met name van oordeel dat uit de door gedaagde overgelegde
stukken, met de daarop vermelde gegevens van PTT-Post, niet kan worden
afgeleid dat deze brief aan gemachtigde van appellant is toegezonden.
Door het ontbreken van gegevens omtrent geadresseerde wordt niet
aangetoond dat deze aantekeningen betrekking hebben op een brief die aan
gemachtigde zou zijn verzonden. Ook overigens heeft gedaagde geen andere
concrete en verifieerbare gegevens overgelegd, zoals bijvoorbeeld een
uitdraai uit haar postregistratiesysteem dan wel een duidelijke
verklaring van (medewerkers van) TPG-Post omtrent de brief in kwestie,
waardoor de toezending aan gemachtigde alsnog in toereikende mate
aangetoond zou kunnen zijn geacht.
Aangezien door de hierboven geschetste gang van zaken overwegende
twijfel is gerezen over de juiste verzending van het besluit op bezwaar
van 7 juni 2000 en ook over de brief van 25 april 2001 aan gemachtigde
van appellant, ziet de Raad in het onderhavige geval voldoende reden om
uit te gaan van een reguliere bekendmaking van het besluit op bezwaar in
de zin van artikel 6:8 van de Awb eerst op 12 november 2001 door de als
dan traceerbare toezending hiervan aan gemachtigde van appellant.
Hiervan uitgaande neemt de Raad aan dat in het onderhavige bijzondere
geval tijdig beroep kan worden geacht te zijn ingesteld bij de
rechtbank.
Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank het
beroep van appellant tegen het besluit van 7 juni 2000 ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het komt de Raad aangewezen voor de zaak, na vernietiging van de
aangevallen uitspraak, naar de rechtbank terug te wijzen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de
rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient
uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel
8:75 van de Awb voorwaardelijk
- voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te
veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep en € 60,20 aan reiskosten, derhalve in totaal € 704,20.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Assen;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellant in
hoger beroep ad € 704,20;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
griffierecht ad € 82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|