|
Uitspraak
00/5347
CSV en 01/4311 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam VOF], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 augustus 1999 (besluit 1), waarnaar hierbij wordt
verwezen, heeft gedaagde een beslissing genomen op de bezwaren van
appellante tegen correctie- en boetenota's over de jaren 1990 tot en met
1994, de aangepaste voorschotnota over 1995 en het besluit tot een
maandelijkse loonopgaveverplichting voor de periode van twee jaar.
Bij uitspraak van 11 september 2000 heeft de rechtbank Rotterdam het
tegen dit besluit ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en
besluit 1 behoudens de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
tegen de correctie over 1990 vernietigd. Voorts heeft de rechtbank
bepaald dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit
op bezwaar dient te nemen, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van
appellante en bepaald dat gedaagde het door appellante gestorte
griffierecht dient te vergoeden.
Namens appellante is mr. Z.B. Gyömörei, thans werkzaam bij Regts &
Gyömörei Advocaten en Belastingadviseurs, op bij aanvullend
beroepschrift van 30 januari 2001 aangevoerde gronden bij de Raad van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij schrijven van 31 januari 2001 heeft mr. Z.B. Gyömörei, voornoemd,
namens appellante rittenstaten overgelegd.
Gedaagde heeft bij schrijven van 28 maart 2001 van verweer gediend.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde onder
dagtekening 6 juli 2001 een nieuw besluit op bezwaar (besluit 2)
genomen.
Bij schrijven van 1 oktober 2001 heeft de rechtbank Rotterdam het tegen
besluit 2 namens appellante door mr. Z.B. Gyömörei, voornoemd, ingediende beroepschrift van 26 juli
2001 voor behandeling doorgezonden naar de Raad.
De Raad heeft besluit 2 op grond van artikel 6:18 en 6:19 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.
Bij schrijven van 25 april 2003 zijn partijen uitgenodigd voor de
behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad op 28 mei 2003.
Bij schrijven van 7 mei 2003 heeft mr. M. Büchner, kantoorgenoot van
mr. Z.B. Gyömörei, voornoemd, verzocht om uitstel van deze
behandeling.
Dit verzoek heeft de Raad bij schrijven van 9 mei 2003 afgewezen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 mei
2003, waar voor appellante is verschenen mr. M. Büchner, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Ter zitting van de Raad heeft gemachtigde van appellante nogmaals
verzocht om de behandeling van de onderhavige gedingen in verband met
gezondheidsproblemen van mr. Z.B. Gyömörei aan te houden. De Raad
wijst ook dit verzoek om aanhouding af. Daartoe overweegt de Raad dat
ingevolge bestendig beleid van de Raad in een geval, zoals het
onderhavige, een verzoek om aanhouding slechts wordt toegewezen aan
gemachtigden zonder kantoorgenoten. Nu niet gebleken is dat vervanging
in het onderhavige geval niet mogelijk was en de vervanger van mr. Z.B.
Gyömörei voldoende voorbereidingstijd had, ziet de Raad geen
aanleiding om van dit beleid af te wijken.
De Raad stelt voorts vast dat appellante geen belang meer heeft bij het
hoger beroep betrekking hebbend op besluit 1, nu gedaagde ter uitvoering
van de aangevallen uitspraak, waarbij besluit 1 behoudens de
niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de correctie over
het jaar 1990 is vernietigd, besluit 2 heeft genomen en de door
appellante aangevoerde grieven bij de toetsing aan besluit 2 aan de orde
kunnen komen. Het hoger beroep van appellante wordt derhalve in zoverre
niet-ontvankelijk geacht, nu niet is gebleken van enig belang van
appellante bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over besluit 1.
Ter zitting van de Raad heeft gemachtigde van appellante opgemerkt dat
de verplichting om gedurende twee jaar maandelijkse loonopgaven te doen
niet langer in geschil is.
De Raad is van oordeel dat gedaagde met besluit 2 deels niet op een
juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak immers het door gedaagde
bij besluit 1 ingenomen standpunt onderschreven dat het bezwaar tegen
correctienota's over het jaar 1990 niet-ontvankelijk was, omdat over dat
jaar geen correctienota's zijn opgelegd en dit in verband met de
"verjaring" ook niet meer mogelijk was. Nu gedaagde heeft
berust in de aangevallen uitspraak, stond het hem derhalve niet vrij om
bij besluit 2 alsnog inhoudelijk te beslissen op de bezwaren van
appellante tegen vermelde premienota's over het jaar 1990.
De Raad is evenwel van oordeel dat gedaagde voor het overige wel naar
behoren uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Naar het
oordeel van de Raad heeft gedaagde bij besluit 2 voldoende gemotiveerd
aangegeven waarom hij in tegenstelling tot de belastingdienst wel tot
verwerping van de administratie van appellante is overgegaan. Gedaagde
heeft bij besluit 2 opgemerkt dat het, gelet op de toestand van de
administratie, voor hem onbegrijpelijk is dat de belastingdienst de
administratie van appellante heeft geaccepteerd. Gezien de toestand van
de administratie, zoals deze blijkt uit de gedingstukken en het
verhandelde ter zitting van de Raad, onderschrijft de Raad dit
standpunt.
Mede gelet op hetgeen van de kant van gedaagde ter zitting is verklaard
heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad thans voldoende gemotiveerd
uiteengezet waarom gedaagde (net als zijn looncontroleur) tot op heden
heeft geweigerd om de door appellante aangeboden doos met rittenstaten
in te zien. Zoals ook is aangegeven in het rapport van de looncontroleur
van 18 april 1997, zouden deze rittenstaten immers slechts aan het onderzoek
kunnen bijdragen, indien daarmee een koppeling met de geboekte omzet zou
kunnen worden gemaakt. Nu met de door appellante aangeleverde
rittenstaten een dergelijke koppeling niet mogelijk is, heeft gedaagde
er naar het oordeel van de Raad terecht van afgezien om de door
appellante aangeboden rittenstaten in het onderzoek te betrekken. De
namens appellante geponeerde grief dat gedaagde ten onrechte geen acht
heeft geslagen op de door appellante aangeboden rittenstaten treft
derhalve ook geen doel.
Deze conclusie trekt de Raad ook met betrekking tot de grief van
appellante dat (voor zover nog van belang) de premienota's over het jaar
1991 ten onrechte op naam van de vennootschap onder firma zijn gesteld,
omdat het bedrijf in dat jaar nog een eenmanszaak was. [Naam eigenaar]
was eigenaar van de eenmanszaak. Appellante voert aan dat door deze
tenaamstelling de vennoot die in dat jaar in het geheel nog niet bij het
bedrijf betrokken was, namelijk [naam junior], ten onrechte voor de
schuld kan worden aangesproken. De Raad deelt dat standpunt niet
aangezien de bestuurder als bedoeld in artikel 16c, eerste lid onder c,
van de Coordinatiewet Sociale verzekering (CSV) blijkens de uitspraak
van de Raad van 20 juni 2002, gepubliceerd in USZ 2002/241 en RSV
2002/218, niet kan worden aangesproken voor bij zijn aantreden reeds
bestaande premieschulden.
Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde terecht
tot het opleggen van de onderhavige correctienota's is overgegaan.
Bij de beantwoording van deze vraag gaat de Raad uit van de feiten en
omstandigheden, zoals deze zijn vermeld in de aangevallen uitspraak van
de rechtbank.
Met betrekking tot de correctienota's over de jaren 1991 tot en met 1994
overweegt de Raad dat appellante niet aan de op haar op grond van
artikel 10 van de CSV rustende administratieve verplichtingen heeft
voldaan. Blijkens de afgelegde verklaringen heeft appellante immers
buiten de administratie om tijdens ziekteperioden betalingen verricht
aan bij haar in dienstbetrekking werkzame taxichauffeurs. Voorts zijn
niet alle rittenstaten verantwoord, zijn rittenstaten lijsten niet of
niet volledig ingevuld en zijn rittenstaten niet bewaard. Tevens heeft
onjuiste bedrijfskostenverantwoording plaatsgevonden doordat in de
administratie facturen zijn opgenomen, die geen betrekking hebben op
door appellante gemaakte kosten.
Om vermelde reden is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht tot
verwerping van de administratie is overgegaan en dat gedaagde bij
gebreke van exacte en betrouwbare loongegevens de verschuldigde premie
terecht bij benadering aan de hand van een schatting heeft vastgesteld.
De Raad is voorts van oordeel dat de door gedaagde bijgestelde schatting
over de jaren 1991 tot en met 1994, waarbij rekening is gehouden met een
aantal door appellante aangegeven uitgangspunten, redelijk is.
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep van de zijde van appellante
naar voren is gebracht noch in de overige gedingstukken
aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde bij de
vaststelling van de verschuldigde premie niet van de aldus berekende
bedragen uit heeft mogen gaan of daarbij onvoldoende zorgvuldig te werk
is gegaan.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellante haar standpunt dat zij de
taxichauffeurs het minimumloon heeft betaald onvoldoende onderbouwd.
Naast het feit dat uit de door de taxichauffeurs afgelegde verklaringen
een beduidend hoger salaris naar voren komt, acht de Raad het in zijn
algemeenheid niet aannemelijk dat taxichauffeurs tegen het minimumloon
werkzaam zouden zijn. Daarbij komt nog dat (ook) in het
looncontrolerapport van 27 januari 2000 over de controle van het jaar
1998 is aangegeven dat de CAO Taxivervoer op het bedrijf van appellante
van toepassing is.
Bij gebreken van verifieerbare loongegevens, kan gedaagde blijkens de
uitspraak van 20 maart 2003, gepubliceerd in
USZ 2003/142, in redelijkheid uitgaan van het rechtens geldend loon,
zoals dat uit de CAO Taxivervoer volgt.
Met betrekking tot de boetenota's merkt de Raad allereerst op dat
gedaagde naar het oordeel van de Raad ten onrechte de boetenota over het
jaar 1990 heeft gehandhaafd. Gedaagde is immers niet tot ambtshalve
vaststelling van de verschuldigde premie over het jaar 1990 overgegaan.
Derhalve ontbreekt de wettelijke grondslag voor het opleggen van een
verhoging als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de CSV.
Wat het beroep van appellante op de overschrijding van de redelijke
termijn betreft, is de Raad van oordeel dat dit beroep zowel ten aanzien
van de correctienota's als de boetenota's doel treft.
Met betrekking tot de correctienota's overweegt de Raad gelijk aan zijn
uitspraak van 7 juni 2000, gepubliceerd in JB 2000, 229, Rawb 2000, 139,
dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees
Vedrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
gaat lopen als sprake is van "een geschil, dat wil zeggen dat -
tenminste - een standpunt van, in casu, het bestuursorgaan kenbaar is,
ter zake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de
wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil
verzetten". Daarvan is in casu sprake op 9 oktober 1995, zijnde het moment dat appellante bezwaar maakte tegen de
correctienota's. Het bestreden besluit is gedateerd op 6 juli 2001. Met
de besluitvorming is derhalve ongeveer vijf jaar en 9 maanden gemoeid
geweest. Daarmee heeft gedaagde behoudens een eventuele
rechtvaardigingsgrond in strijd met de redelijke termijn gehandeld.
Gedaagde heeft ter rechtvaardiging van de lange afhandelingsduur
aangegeven dat deze is veroorzaakt door de toevloed van bezwaarschriften
bij gedaagde en de complexiteit van de onderhavige zaak. Voorts heeft
gedaagde opgemerkt dat appellante geen actie meer heeft ondernomen na
indiening van de aanvullende bezwaarschriften en dat appellante geen
gebruik heeft gemaakt van de in artikel 6:2 van de Awb neergelegde
mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de fictieve weigering van het
bestuursorgaan.
Naar het oordeel van de Raad vormt dit onvoldoende rechtvaardigingsgrond
voor de vertraging. Een rechtvaardiging kan volgens de Raad ook niet
worden gevonden in het feit dat gedaagde na de aangevallen uitspraak van
de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Dit behoort
naar het oordeel van de Raad tot het procesrisico van gedaagde.
Volgens vaste jurisprudentie leidt trage besluitvorming als zodanig niet
tot het teloorgaan van de bevoegdheid om - met in achtneming van de
wettelijke termijnen - premies vast te stellen. De aantasting van
appellantes belangen bij berechting van haar geschil binnen een
redelijke termijn wordt blijkens vaste jurisprudentie voldoende
gecompenseerd indien gedaagde, bij de afweging of er gronden zijn om
rente vast te stellen en in te vorderen over hetgeen appellante nog aan
gedaagde verschuldigd is, rekening houdt met de omstandigheid dat de
verschuldigde premies rentedragend zijn geweest gedurende een geruime
periode waarin gedaagde onrechtmatig heeft getalmd met de
besluitvorming.
Met betrekking tot de boetenota's stelt de Raad vast dat na de brieven
van 14 juli 1995, waarmee de boetenota's door gedaagde werden
aangekondigd, inmiddels al bijna acht jaren zijn verstreken. De Raad is
van oordeel dat deze termijn dermate lang is dat sprake is van
overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het
EVRM. De Raad vindt hierin aanleiding om de opgelegde boetes op nihil te
stellen. Onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb stelt
de Raad de aan appellante opgelegde boetes vast op nihil.
Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat het hoger beroep tegen
besluit 1 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts dient
besluit 2, voor zover het de correctienota's over het jaar 1990 en
boetenota's over de jaren 1990 tot en met 1994 betreft, te worden
vernietigd. Voor het overige dient het hoger beroep van appellante
ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand.
Ten slotte stelt de Raad vast dat gedaagde het in hoger beroep gestorte
griffierecht van € 306,30 (voorheen f 675,-) aan appellante dient te
vergoeden.
Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep ten aanzien van besluit 1 niet-ontvankelijk;
Vernietigt besluit 2 voor zover het de correctienota's over het jaar
1990 en de boetenota's over de jaren 1990 tot en met 1994 betreft;
Stelt de door appellante verschuldigde boetes over de jaren 1991 tot en
met 1994 vast op nihil;
Verklaart het hoger beroep van appellante tegen besluit 2 voor het
overige ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellante het gestorte recht van € 306,30
(voorheen f 675,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
|
|