|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6128 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam VOF], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Op bij aanvullend beroepschrift van 30 januari 2003 aangevoerde gronden
is appellant bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Middelburg onder dagtekening 25 oktober 2002 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 11 april 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juli
2003. Appellant heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen
door mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde heeft zich bij die
gelegenheid, naar tevoren schriftelijk is bericht, niet doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij appellants besluit op bezwaar van 28 maart 2002, na premiecorrecties
van 29 november 2001 over 1996-2000, is gedaagde wegens verzuim van
inzending van gronden van bezwaar met de toepassing van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard met als gevolg
dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat in
evenbedoeld besluit niets is vermeld aangaande de reden voor het niet
horen van gedaagde over het door haar - ontijdig - ingediende bezwaar.
Dientengevolge is het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12,
eerste lid van de Awb vernietigd en het beroep van gedaagde gegrond
verklaard. Desalniettemin heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand doen blijven, omdat de bezwaargronden niet
binnen redelijke termijn zijn ingediend en uit dien hoofde
niet-ontvankelijkverklaring hiervan had kunnen plaatsvinden.
In hoger beroep heeft appellant bij aanvullend beroepschrift en ter
zitting van de Raad gemotiveerd doen betogen dat het bestreden besluit
wel op een deugdelijke motivering in de zin van de Awb berust en dat dit
derhalve niet in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Daarbij
is nog eens nadrukkelijk aangegeven dat gedaagde ook binnen de geboden
verzuimhersteltermijn zonder enigerlei reactie geen gronden van bezwaar
aan appellant heeft doen toekomen.
Nu deswege het bezwaar op goede gronden kennelijk niet-ontvankelijk is
verklaard, is er, anders dan gedaagde meent, geen plaats voor een
inhoudelijke behandeling van het bezwaar. Daarbij is er, eveneens anders
dan gedaagde meent, in de onderhavige procedure geen plaats voor het
aanhouden van een bezwaarschrift en enig verzuimherstel hiervan langs de
weg van een hoorzitting.
De Raad onderschrijft de juistheid van de gezien ook de bepalingen van
de Awb goed gefundeerde zienswijze van de zijde van appellant. Volgens
de Raad is het oordeel van de rechtbank dat appellants bestreden besluit
op bezwaar aan het euvel van een onvolkomen motivering zou lijden
kennelijk onjuist en kunnen gedaagdes verweergronden in het kader van
dit hoger beroep geen doel treffen. De Raad voegt hieraan toe, dat naar
zijn oordeel in het onderhavige geval appellant de vereiste
zorgvuldigheid en behoedzaamheid heeft betracht teneinde tot een
adequate toepassing van artikelen 7:3, eerste lid juncto 7:12, eerste
lid van de Awb te geraken. Hij kan daarbij in tegenstelling tot gedaagde
in het licht van de door appellant gegeven duidelijke en concludente
motivering niet inzien hoe aan eerstgenoemde de kennelijkheid van de
niet-ontvankelijkheid van het bezwaar zou hebben kunnen ontgaan, waar
het niet voor gerede twijfel vatbaar is dat het bezwaarschrift de
vereiste bezwaargronden als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d,
van de Awb ontbeerde en dit evenmin is bijgesteld binnen de in de
navolgende artikelen 6:6 en 6:7 van die wet begrepen - geboden herstel -
termijn.
Het vorenoverwogene leidt tot 's Raads volgende beslissing.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 30 juli 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|