|
Uitspraak
01/1689
CSV en 01/1694 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan,
en
[naam ziekenfonds] Dienstverlening Ziekenfonds Verzekeringen N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: [naam ziekenfonds].
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze gedingen wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 12 mei 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft het
bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van [naam ziekenfonds]
tegen het besluit van 12 januari 2000, inhoudende de oplegging van een
boete van € 423.722,26 (f 933.761,--) wegens het doen van een onjuiste en/of onvolledige
loonopgave onder de registratie van een administratief verzuim.
De rechtbank Rotterdam heeft het namens [naam ziekenfonds] ingestelde
beroep bij uitspraak van 6 februari 2001 gegrond verklaard, het
bestreden besluit vernietigd, het bestuursorgaan veroordeeld in de
proceskosten van [naam ziekenfonds] en bepaald dat het bestuursorgaan
het betaalde griffierecht aan [naam ziekenfonds] dient te vergoeden.
Namens [naam ziekenfonds] is mr. G.C. Boot, advocaat te Amsterdam, op
bij aanvullend beroepschrift van 18 mei 2001 aangevoerde gronden van die
uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 12 juni 2001
(met bijlagen) aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in
hoger beroep gekomen.
Partijen hebben bij schrijven van 11 juli 2001 en 31 augustus 2001 van
verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 juli
2003, waar namens [naam ziekenfonds] is verschenen mr. M. Driesse,
manager van de afdeling juridische zaken, bijgestaan door mr. M.S.A.
Vegter, kantoorgenoot van mr. Boot, voornoemd. Het bestuursorgaan heeft
zich doen vertegenwoordigen door mr. L.M. Kos, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan de bezwaren van [naam
ziekenfonds] tegen het opleggen van een administratieve boete ter zake
van het over het jaar 1998 onjuist en/of onvolledig doen van loonopgave
ongegrond verklaard en het geregistreerde verzuim gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de verplichting tot het doen
van een (juiste) loonopgave eenzijdig op de werkgever rust. Gelet op de
van de zijde van het bestuursorgaan genomen initiatieven teneinde een
onjuistheid van de loonopgave op te helderen, kan niet worden gesteld
dat [naam ziekenfonds] nimmer een verzoek tot informatie dan wel een
verzoek tot het doen van een onderzoek heeft gehad met betrekking tot de
verstrekte loonopgave. Derhalve heeft het bestuursorgaan terecht de
conclusie getrokken dat sprake is van opzet of grove schuld. De
rechtbank is evenwel van oordeel dat de hoogte van de boete niet
evenredig is met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het verzuim
van [naam ziekenfonds]. De grond om het beroep gegrond te verklaren,
ligt naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheid dat het
bestuursorgaan bij de voorbereiding van de besluitvorming niet de nodige
kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen
belangen, zodat het bestuursorgaan heeft gehandeld in strijd met artikel
3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
[Naam ziekenfonds] kan zich niet verenigen met de overwegingen van de
rechtbank die leiden tot het oordeel dat zij geen juiste loonopgave
heeft gedaan. Naar de mening van [naam ziekenfonds] heeft zij voldoende
aannemelijk gemaakt dat de twee door haar aan het bestuursorgaan
toegestuurde diskettes met loonopgaven wel een juiste en volledige
loonopgave vormen, maar dat zij door de handelwijze van het
bestuursorgaan niet meer in staat is dat aan te tonen. Daarnaast is
[naam ziekenfonds] van mening dat de rechtbank op juiste gronden heeft
overwogen dat niet is gebleken van de ernst en verwijtbaarheid van haar
handelingen, maar dat de rechtbank daaraan ten onrechte niet de
conclusie heeft verbonden dat er geen sprake was van opzet of grove
schuld. Daarnaast heeft [naam ziekenfonds] herhaald dat de door het
bestuursorgaan opgelegde boete niet in evenredige verhouding staat met
de ernst en omvang van de door haar gepleegde, dan wel nagelaten,
handelingen, los van de daaraan verbonden kwalificatie.
Het bestuursorgaan kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank
dat het bij de voorbereiding van de besluitvorming niet de nodige kennis
heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
De door de rechtbank vermeende onzorgvuldigheid, met name betrekking
hebbende op de vernietiging van de diskettes, rechtvaardigt naar de
mening van het bestuursorgaan niet de conclusie dat niet de nodige
kennis is vergaard omtrent de relevante feiten. Het bestuursorgaan heeft
daartoe opgemerkt dat de verwijtbaarheid van de gedragingen van [naam
ziekenfonds] niet is gelegen in de - betwiste - omstandigheid dat door
[naam ziekenfonds] niet aanstonds een juiste en/of volledige
jaarloonopgave over 1998 is gedaan, maar in het niet completeren van
die opgave nadat van onvolkomenheden gebleken was en daarvan aan [naam
ziekenfonds] mededeling was gedaan. Tevens kan het bestuursorgaan zich
niet verenigen met de aangevallen uitspraak omdat naar zijn mening de
opgelegde boete van 25% over het door [naam ziekenfonds] over 1998
verschuldigde premiebedrag niet onevenredig is met de ernst en mate van
verwijtbaarheid van het verzuim. Daarbij heeft het bestuursorgaan
opgemerkt dat het onjuist en/of onvolledig doen van loonopgave gelet op
de tekst en toelichting van het boetebesluit de zwaarste verzuimsoort is
indien, zoals in onderhavig geval, tevens sprake is van opzet of grove
schuld, en dat voor een dergelijk verzuim, bij de eerste keer, een boete
van 25% evenredig wordt geacht.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in het
onderhavige geval sprake is van grove schuld als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, van de CSV aan de kant van [naam ziekenfonds]. Onder
verwijzing naar de overwegingen, die de rechtbank hieromtrent aan haar
beslissing ten grondslag heeft gelegd, merkt de Raad op dat een
bestuursorgaan is aangewezen op de informatievoorziening van de
werkgever. Nadat het bestuursorgaan in het voorliggende geval door
middel van het overleggen van de verschillijsten had te kennen gegeven
dat het schortte aan de nakoming van de verplichting van [naam
ziekenfonds] tot het doen van een juiste loonopgave had [naam
ziekenfonds] dit niet op haar beloop mogen laten. Zeker niet nu, zoals
later tijdens de looncontrole is gebleken, [naam ziekenfonds] door het
maken van een nieuwe uitdraai van alle loongegevens over 1998 op
relatief eenvoudige wijze had kunnen aantonen waar de verschillen uit
voortvloeiden. Derhalve heeft het bestuursorgaan terecht de conclusie
kunnen trekken dat sprake is van (opzet of) grove schuld.
De Raad ziet evenwel anders dan de rechtbank in het vernietigen van de
diskettes met loonopgaven geen grond om te oordelen dat het
bestuursorgaan bij de voorbereiding van de besluitvorming niet de nodige
kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen
belangen. De Raad kan niet inzien omtrent welke relevante feiten en
belangen het bestuursorgaan meer kennis had moeten vergaren, aangezien
de gestelde verwijtbaarheid immers niet ziet op de - weliswaar betwiste
-
omstandigheid dat [naam ziekenfonds] niet aanstonds een juiste en/of
volledige loonopgaven over 1998 heeft gedaan, maar in het niet
completeren van bedoelde opgaven nadat gebleken was van verschillen
dienaangaande.
Vervolgens dient de Raad te beoordelen of de door het bestuursorgaan
opgelegde boete evenredig is aan de ernst en de mate van verwijtbaarheid
van het door [naam ziekenfonds] gepleegde verzuim. De Raad heeft in
vaste jurisprudentie overwogen dat, niettegenstaande het gegeven dat
zowel artikel 12, tweede lid, van de CSV als het op het derde lid van
die bepaling berustende ABC-besluit de vast te stellen verhogingen in
percentuele zin voor de daar genoemde categorieën fixeren, als
onontkoombare eis van behoorlijk bestuur geldt dat de sanctie van een
verhoging, op grond van artikel 12 van de CSV, in evenredigheid dient te
zijn met de ernst en mate van verwijtbaarheid van het gesanctioneerde
handelen, zodat per geval, gelet op alle van belang zijnde feiten en
omstandigheden, binnen de - grenzen van de - in de regelgeving gefixeerde
(maximale) percentages telkens nader getoetst dient te worden of de
verhoging in absolute zin niet tot een onevenredige sanctie leidt.
Naar aanleiding van de creditnota van het bestuursorgaan over het jaar
1998 heeft [naam ziekenfonds] onverwijld het bestuursorgaan medegedeeld
dat de door het bestuursorgaan vastgestelde afrekening over 1998 niet
juist kan zijn, omdat volgens haar eigen administratie het juiste bedrag
aan premies was ingehouden en afgedragen. Naar aanleiding van deze
mededeling heeft het bestuursorgaan de creditnota geblokkeerd en is er
medio 1999 een verschillenlijst aan [naam ziekenfonds] overhandigd
waarmee [naam ziekenfonds] had kunnen en moeten nagaan waardoor de
geconstateerde verschillen veroorzaakt werden. Dit heeft [naam
ziekenfonds] echter nagelaten in de veronderstelling dat de verschillen
waren veroorzaakt door de inmiddels opgeloste problemen met de
automatische mbv-meldingen. Zulks naar het oordeel van de Raad ten
onrechte.
[Naam ziekenfonds] had de gestelde manco's ten aanzien van haar
verplichtingen moeten completeren en zich dienaangaande actiever kunnen
en moeten opstellen. Naar het oordeel van de Raad rechtvaardigt de ernst
van de gedragingen van [naam ziekenfonds] echter niet de hoogte van de
opgelegde boete. Daarbij heeft de Raad onder meer in overweging genomen
dat [naam ziekenfonds] het initiatief heeft genomen tot opheldering van
de geconstateerde verschillen en dat er zeker geen sprake was van de
intentie tot benadeling van het bestuursorgaan, zodat de gedragingen van
[naam ziekenfonds] haar slechts in beperkte mate verweten kunnen worden.
Gelet hierop acht de Raad een verlaging met 50% van de opgelegde boete
in evenredigheid met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het
verzuim.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het op andere gronden, voor
bevestiging in aanmerking.
Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan te veroordelen in de
proceskosten van [naam ziekenfonds] in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt de hoogte van de boete op een bedrag van € 211.861,13;
Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van [naam ziekenfonds]
in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.
(get.) B.J van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|