|
Uitspraak
00/5246
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Bij besluit van 22 februari 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de
bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 26 november 1997, waarbij
gedaagde op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam
B.V.] verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale
werknemersverzekeringen over 1991 en 1993, ten bedrage van f 78.969,76.
De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 1 september 2000 het
namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
voorzover het betreft de aansprakelijkstelling voor de premies over het
jaar 1991 en het bestreden besluit in zoverre vernietigd onder bepaling
dat appellant met inachtneming van de uitspraak in zoverre een nieuw
besluit op bezwaar neemt. Het beroep is ongegrond verklaard, voorzover
het betreft de aansprakelijkstelling voor de premies over het jaar 1993.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 20
februari 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. J.C. Hardam, advocaat te Oud-Beijerland, een
verweerschrift ingediend.
Bij brief van 28 april 2003 heeft appellant, desverzocht, nog een aantal
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 juni
2003, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij
zijn gemachtigde mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uvw, en waar
gedaagde, na schriftelijk bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde is van 7 januari 1980 tot 1 januari 1994 bestuurder geweest van
[naam B.V.] (hierna: de vennootschap).
Over 1991 is een bedrag aan premie ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten onbetaald gebleven van f 70.512,45. De
premies over 1992 zijn betaald.
Op 27 april 1994 is de vennootschap in staat van faillissement
verklaard. Het faillissement is in november 1995 opgeheven bij gebrek
aan baten. Op 11 juli 1997 heeft in verband met het faillissement van de
kant van appellant een gerichte looncontrole plaatsgevonden.
Bij brief van 27 oktober 1997 heeft appellant aan gedaagde kenbaar
gemaakt dat het voornemen bestond gedaagde aansprakelijk te stellen voor
de onbetaald gebleven premies terzake van 1991en 1993, hetgeen heeft
geleid tot het primaire besluit van 26 november 1997.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat gedaagde
eerst bij brief van 27 oktober 1997 ermee bekend is geworden dat hij
inzake de premieafdracht 1991 hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het tijdsverloop van meer dan vijf
jaar tussen de afrekeningsnota 1991 van 1 oktober 1992 en de
aansprakelijkstelling voor dat jaar niet te rechtvaardigen is door het
late onderzoek van de kant van appellant dat bestond uit het benaderen
van de officier van justitie en de griffie van de rechtbank inzake het
faillissement, zodat appellant in strijd heeft gehandeld met het
rechtszekerheidsbeginsel.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen dit onderdeel van de
aangevallen uitspraak gekeerd.
Appellant stelt zich op het standpunt dat hij niet onnodig lang getalmd
heeft met het aansprakelijk stellen van gedaagde.
Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat hij eerst heeft getracht de
vennootschap zelf te bewegen om alsnog tot betaling over te gaan
alvorens de bestuurder aansprakelijk te stellen. Aangezien de nota's
over 1992 wel voldaan werden en er geen betalingsonmacht werd gemeld, is
appellant ervan uitgegaan dat de vennootschap in ieder geval in staat
was om de premies over het jaar 1991 te voldoen. Eerst in 1993 bleken er
wederom geen premies te worden afgedragen, waarna de directie van de
vennootschap op de meldingsplicht van betalingsonmacht is gewezen. Eerst
nadat de vennootschap op 27 april 1994 gefailleerd is, was het duidelijk
dat onder meer de premies over 1991 niet voldaan zouden worden. Hierna
zijn de faillissementsverslagen opgevraagd bij de rechtbank en is
informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst.
Het heeft vervolgens enige tijd gekost voordat deze informatie - na
herhaalde rappellen - werd verstrekt. Bovendien diende voor het
onderzoeken van de administratie toestemming verkregen te worden van de
officier van justitie in verband met een fraudeonderzoek, dat complex
was en een internationaal karakter had. Ten slotte heeft appellant
gewezen op de dwingendrechtelijke aard van artikel 16d van de CSV.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant slaagt en
overweegt het volgende.
Het gaat te dezen om een uit de wet voortvloeiende, niet aan een termijn
gebonden aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor
door deze vennootschap onbetaald gebleven premies voor de sociale
werknemersverzekeringen.
Terecht heeft appellant erop gewezen dat, alvorens een bestuurder
hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, eerst moet worden
vastgesteld of er nog een premievordering op de vennootschap bestaat en,
zo ja, tot welk bedrag. Door de bijzondere omstandigheden van dit geval,
waarin sprake was van een complex fraudeonderzoek met een internationaal
karakter, waarbij de loonadministratie pas na toestemming van de
officier van justitie kon worden bezien, was het niet mogelijk eerder
dan in 1997 een looncontrole te houden. Kort hierop heeft appellant
gedaagde aansprakelijk gesteld. De omstandigheid dat deze looncontrole,
gelet op de verjaringstermijn van artikel 13 van de CSV, er niet meer
toe had kunnen leiden dat alsnog nadere premievaststelling had kunnen
plaatsvinden ten aanzien van het premiejaar 1991, kan hieraan niet
afdoen. Immers, ook de verschuldigde premies over 1993 waren in die
looncontrole aan de orde. De Raad kan zich gelet op het vorenstaande
niet met het oordeel van de rechtbank verenigen dat appellant onnodig
lang heeft getalmd met de aansprakelijkstelling. Hierbij komt nog dat de
vennootschap de premies over het jaar 1992 wel heeft betaald, zodat in
feite pas door het faillissement in 1994 bij appellant het vermoeden kon
postvatten dat premies onbetaald zouden blijven. Weliswaar heeft het
vervolgens nog tot in 1997 geduurd totdat appellant gedaagde hoofdelijk
aansprakelijk heeft gesteld, doch dit tijdsverloop acht de Raad door
appellant afdoende verklaard, teneinde het oordeel te kunnen dragen dat
geen sprake is geweest van onnodig talmen.
Met het oog op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, reeds niet in stand blijven.
Echter, gelet op het nader ter zitting ingenomen standpunt van
appellant, kan het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op
de hoogte van het bedrag waarvoor gedaagde aansprakelijk is gesteld -
het gaat hier zowel om de aansprakelijkstelling van de onbetaald
gebleven premies terzake van het premiejaar 1991 als 1993 -, niet in
stand blijven, zodat dit besluit in zoverre voor vernietiging in
aanmerking komt. Gelet op artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) zal de Raad zelf in de zaak voorzien, door het
bedrag van de aansprakelijkstelling vast te stellen op f 71.072,78.
De Raad acht termen aanwezig om het bestuursorgaan op grond van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van het geding in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond wat betreft de hoogte van het
bedrag van de aansprakelijkstelling, en vernietigt het bestreden besluit
in zoverre;
Bepaalt het bedrag waarvoor gedaagde aansprakelijk wordt gesteld op f
71.072,78 (€ 32.251,42);
Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het
vernietigde besluit;
Verklaart het beroep in eerste aanleg alsnog voor het overige ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--;
Bepaalt dat het Uwv aan gedaagde het betaalde recht van f 60,-- (€
27,23) in eerste aanleg vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
augustus 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|