|
Uitspraak
01/540
CSV en 01/514 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam firma], gevestigd te [vestigingsplaats], en
[naam transportbedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 6 juli 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen de aan hen opgelegde correctie- en
boetenota's over de jaren 1994 tot en met 1996 van respectievelijk 18
februari 1999, 1 maart 1999, 10 maart 1999 en 22 maart 1999.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft de namens appellanten tegen
bovengenoemde besluiten ingestelde beroepen bij uitspraken van 12
december 2000 ongegrond verklaard.
Op bij beroepschrift aangevoerde gronden heeft A. van Kleef, werkzaam
bij N. van Kleef Accountancy Belastingzaken te Woerden, als gemachtigde
van appellanten hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraken.
Gedaagde heeft d.d. 13 juni 2001 in beide gedingen een verweerschrift
ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
26 juni 2003, waar voor appellanten is verschenen A. van Kleef,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een op 19 en 20 januari 1998 van de kant van
gedaagde uitgevoerde looncontrole zijn aan appellanten correctie- en
boetenota's d.dis 18 februari 1999, 1 maart 1999, 10 maart 1999 en 22
maart 1999 uitgereikt met betrekking tot de jaren 1994 tot en met 1996.
Het van dit onderzoek opgemaakte rapport van 25 februari 1998 vermeldt
dat de administratie van appellanten onder meer de volgende gebreken
vertoont, te weten:
- Onvolledige, onduidelijke of ontbrekende ritrapporten en
tachograafschijven; soms geen verantwoording met betrekking tot periodes en kilometers; er zijn
twijfels over de echtheid van sommige rapporten; menigmaal zaten er andere personen
aan het stuur dan vermeld in het desbetreffende ritrapport.
- Twijfels omtrent de identiteit van een chauffeur. Soms is onduidelijk
wie een bepaalde rit heeft gereden of wie daaraan heeft deelgenomen.
- Het niet in de administratie opnemen van meerdere chauffeurs.
Gelet op deze bevindingen worden de jaarloonopgaven Sociale
Verzekeringen niet juist en volledig geacht. De administratie van de
bedrijven geeft geen getrouw en betrouwbaar beeld omtrent de
loonbetalingen aan de chauffeurs en evenmin kan deze administratie
dienen als basis voor een nieuwe berekening. De looninspecteur heeft
vervolgens op basis van de gegevens van de rittenstaten over 1993 en
1996, waarbij naar de jaren 1994 en 1995 is geëxtrapoleerd, de premies
voor de sociale werknemersverzekeringswetten berekend die appellanten
alsnog over de jaren 1994 tot en met 1996 zijn verschuldigd.
Bij de bestreden besluiten heeft gedaagde deze nota's gehandhaafd.
In beroep is namens appellanten erkend dat haar administratie ten tijde
van de in 1998 uitgevoerde looncontrole hiaten vertoonde en voorts dat
in een aantal opzichten niet, althans niet op juiste wijze of niet
volledig loonopgave is gedaan, zoals is vereist op grond van artikel 10
van de CSV en het Loonadministratiebesluit. Appellanten zijn echter van
mening dat de lacunes in haar administratie met de namens haar in beroep
overgelegde rittenstaten over 1996 zijn gedicht en verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen
dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.
De in hoger beroep van de kant van appellanten aangevoerde bezwaren zijn
in essentie een herhaling van hetgeen in de gedingen in eerste aanleg
zijn aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn van de kant van appellanten
niet naar voren gebracht.
In geschil is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen
houden.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 10 van de CSV dient een werkgever met inachtneming van
de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen
regels zorg te dragen voor een deugdelijke loonadministratie en aan het
bestuursorgaan opgave te doen van het door zijn werknemers genoten loon.
De Raad moet hierbij vast stellen dat door appellanten niet wordt
betwist dat haar administratie ten tijde hier van belang onvolledig was
en dat in een aantal opzichten niet, althans niet op de juiste wijze of
niet volledig loonopgave is gedaan.
De in beroep in eerste aanleg overgelegde aanvullende rittenstaten over
1996 kunnen deze onvolledigheid niet wegnemen. Met de rechtbank en
gedaagde is de Raad van oordeel dat deze rittenstaten, voorzover niet
aanwezig ten tijde van de in 1998 uitgevoerde looncontrole en afkomstig
van derden, in beginsel met de nodige voorzichtigheid dienen te worden
bezien. De Raad onderschrijft hierbij het oordeel van de looninspecteur
- zoals weergegeven in zijn aanvullend looncontrole rapport van 29 juni
2000 - dat zowel op basis van meer uiterlijke kenmerken, zoals het
handschrift en de aanwezigheid van bepaalde gegevens na onderlinge
vergelijking van de rittenstaten, als op basis van inhoudelijke
argumenten, die berusten op een vergelijking van de nader overgelegde
rittenrapporten met de tijdens de controle verkregen gegevens,
onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat bedoelde rittenstaten de
aanvankelijk geconstateerde gebreken in de administratie in overwegende
mate hebben kunnen helen.
Zoals gedaagde dan ook terecht heeft aangegeven in de bestreden
besluiten van 6 juli 1999, is op basis van de tijdens de looncontrole
van gedaagde verzamelde gegevens de conclusie gerechtvaardigd dat de
door appellanten gevoerde administratie gebreken vertoonde die het
onmogelijk maakte het loon op de gebruikelijke wijze vast te stellen. Nu
de loonadministratie om vermelde redenen niet als basis voor de
berekening van de door appellanten verschuldigde premies kan dienen, is
gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht tot een schatting van het
premieloon overgegaan.
De Raad ziet in de omstandigheid dat gedaagde bij de berekening van de
verschuldigde premie voor de jaren 1994 tot en met 1996 is uitgegaan van
de gegevens verkregen uit de rittenstaten over 1993 en 1996 en deze zijn
geëxtrapoleerd naar de jaren 1994 en 1995 geen aanleiding voor het
oordeel dat gedaagde bij deze schatting onredelijke uitgangspunten heeft
gehanteerd en aldus niet tot een verantwoorde, weloverwogen schatting is
gekomen. Voor zover deze schatting heeft geleid tot een te hoog bedrag
aan alsnog verschuldigde premies komt zulks voor rekening en risico van
appellanten, omdat zij geen deugdelijke administratie hebben gevoerd.
Mede in aanmerking nemende dat appellanten geen zelfstandige grieven
tegen de boetenota's hebben ingebracht, onderschrijft de Raad de
conclusie van de rechtbank dat de bestreden besluiten in rechte stand
kunnen houden. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de
aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en
beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28
augustus 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|