|
Uitspraak
01/1167
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 9 mei 2001 aangevoerde
gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank
Rotterdam onder dagtekening 9 januari 2001 gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Van de zijde van gedaagde is bij brief van 28 mei 2001 een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 juli
2003, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. W.E. van
Nieuwburg, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid
doen vertegenwoordigen door haar directeur F.J.D. Dekker, met bijstand
van mr. F.L. van der Eerden, advocaat te Rotterdam, als raadsman.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een in oktober 1999 door de desbetreffende
looninspecteur gehouden looncontrole zijn over de jaren 1995 tot en met
1998 premiecorrectienota's vastgesteld wegens bovenmatige vaste
onkostenvergoedingen van f 4,-- per gewerkte dag voor kleding,
gereedschap, lunches en koffie, waaraan anders dan eerder verlangd noch
een periodieke registratie van de werkelijke kosten noch een registratie
van de gewerkte dagen in de eigen werkplaats en op lokatie ten grondslag
heeft gelegen. Bij het in geding zijnde bestreden besluit van appellant
van 17 maart 2000 is hieraan in die zin uitvoering gegeven, dat, hoewel
volgens appellant niet aannemelijk is gemaakt dat de werknemers van
gedaagde daadwerkelijk de genoemde onkosten hebben gemaakt,
zorgvuldigheidshalve de vergoedingen slechts voor 75% in de correcties
zijn betrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich op het standpunt
gesteld dat het bestreden besluit van appellant te dezen niet op
voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat de
onkostenvergoedingen niet zonder meer geheel als bovenmatig dienen te
worden aangemerkt en omdat appellant zelf niet op adequate wijze heeft
nagegaan of gedaagde zich aan registrerende administratieve
verplichtingen heeft gehouden. De rechtbank heeft hierin grond gezien
van appellant nieuwe besluitvorming te verlangen zowel ten aanzien van
de correctienota's als de hieraan gerelateerd geachte boetenota's.
In hoger beroep heeft appellant doen betogen dat nu meermalen anders dan
verlangd geen uitvoering is gegeven aan de afspraken over de registratie
van de arbeidsinzet van de werknemers van gedaagde, niet kan worden
vastgesteld of de in geding zijnde onkostenvergoeding geheel strekt ter
dekking van werkelijk gemaakte kosten. Daarbij is ter zitting van de
Raad van die zijde benadrukt dat indien een werkgever een beroep wil
doen op de uitzonderingsbepaling van artikel 6 CSV met dien verstande
dat een onkostenvergoeding niet behoort tot het loon, die werkgever zelf
voldoende aannemelijk moet maken dat er reële te vergoeden kosten zijn
gemaakt.
In reactie hierop heeft gedaagde zich bij verweer gekeerd tegen het
ontmoedigingsbeleid met disproportionele administratieve eisen dat door
appellant met betrekking tot de desbetreffende onkosten van gedaagde zou
zijn gevoerd. Gedaagde heeft ter zitting van de Raad nader doen
aanvoeren dat het om een proportionele vergoeding van de onkosten van
werknemers van gedaagde gaat in verband met smerig werk op veelal
moeilijk te bereiken locaties en dat nadere bewijsvoering hiervan met
bonnen e.a. niet gevraagd kan worden.
De Raad overweegt het volgende.
De boetenota's als zodanig over de betrokken jaren zijn niet bestreden
in de bezwaarfase en evenmin onderwerp van geschil blijkens het
bestreden besluit van appellant dat slechts betrekking heeft op de
correctienota's, en vallen deswege niet binnen de omvang van dit geding,
anders dan waarvan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is
uitgegaan.
Wat de correctienota's betreft over meerbedoelde jaren in geding, is de
Raad van oordeel dat aan gedaagde meermalen duidelijke en realiseerbare
administratieve verplichtingen zijn opgelegd vanwege appellant dan wel
ondubbelzinnig aangegeven door functionarissen zoals met name de
looninspectie om bepaalde vaste onkosten van diens werknemers beter en
op een concrete en verifieerbare wijze door tijdelijke registratie dan
wel bonnen/rekeningen of anderszins voldoende aannemelijk te maken. Dat
gedaagde hieraan, naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting van
de Raad blijkt, stelselmatig in het geheel niet heeft meegewerkt, kan
niet tot haar voordeel strekken en valt haar als hiervoor
verantwoordelijk alleszins toe te rekenen. Daardoor hebben te dezen de
beweerdelijke onkosten behoudens een zeer beperkte vrijgehouden
koffievergoeding metterdaad niet anders dan loon de vereiste vorm en reële
inhoud kunnen verkrijgen. Van overigens onzorgvuldig vastgestelde
correcties is de Raad, anders dan de rechtbank, daarenboven niet
gebleken, te minder nu deze tot 75% gemitigeerd zijn.
Op grond van het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep van
appellant en kan de aangevallen uitspraak van de rechtbank door de Raad
niet in stand worden gelaten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|