|
Uitspraak
01/1212
CSV en 01/1214 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant 1], wonende te [woonplaats] en [appellant 2], wonende te
[woonplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellanten is door drs. K.D.J.N. Leget, werkzaam bij Leget &
Co Belastingadviseurs te Oss, op bij aanvullende beroepschriften van 14
juni 2001 met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Arnhem onder dagtekening 18 januari 2001 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 12 juli 2001 van verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juli
2003, waar voor appellanten is verschenen drs. K.D.J.N. Leget,
voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
drs. R.H.L. Niehof, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van 27 oktober 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor
de door Brood- en Banketbakkerij [het bedrijf] (hierna: het bedrijf)
over de jaren 1992 tot en met 1996 onbetaald gelaten premie ingevolge de
sociale werknemersverzekeringswetten, ten bedrage van f 358.172,49.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen deze besluiten
door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Daartoe heeft
de rechtbank overwogen dat appellanten er in zijn geslaagd om
aannemelijk te maken dat het niet aan hen te wijten is dat het lichaam
niet aan haar meldingsverplichting heeft voldaan. Derhalve is de
rechtbank van oordeel dat appellanten terecht zijn toegelaten tot
weerlegging van het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling van de
premies het gevolg is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank zijn appellanten er echter
niet in geslaagd om dit wettelijk vermoeden te weerleggen.
Voorts is de rechtbank anders dan appellanten van oordeel dat gedaagde
niet onnodig lang heeft getalmd met de onderhavige
aansprakelijkstellingen.
Hoewel volgens de rechtbank bij appellanten het vertrouwen is gewekt dat
tijdig de relevante informatie is verschaft, kan dit naar het oordeel
van de rechtbank in het algemeen niet meebrengen dat niet meer kan
worden overgegaan tot een aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
Appellanten kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen
en hebben in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat gedaagde onnodig lang
heeft getalmd met de aansprakelijkstellingen en derhalve niet meer tot
de aansprakelijkstelling van appellanten mocht overgaan.
Voorts hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat het oordeel
van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel is geschonden er toe moet
leiden dat de onderhavige aansprakelijkstellingen achterwege hadden
moeten blijven. In dit kader hebben appellanten er nog op gewezen dat
gedaagde, door in de primaire besluiten van 18 februari 1997 zijn
excuses aan te bieden, heeft erkend dat hij onjuist heeft gehandeld.
In hoger beroep heeft gedaagde herhaald van oordeel te zijn terecht en
op goede gronden tot de onderhavige aansprakelijkstellingen te zijn
overgegaan. Van onnodig lang talmen bij de aansprakelijkstellingen is
volgens gedaagde geen sprake geweest. Voorts is gedaagde van oordeel dat
bij appellanten niet het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat
aansprakelijkstelling achterwege zou blijven.
Ter zitting van de Raad is van de zijde van gedaagde echter medegedeeld
dat in verband met het ten tijde van de besluiten op bezwaar geldende
beleid van Gak Nederland B.V. het bedrag van de aansprakelijkstelling in
verband met de afhandelingsduur van de bezwaarschriften met f 50.000,--
(€ 22.689,01) dient te worden gematigd. Gedaagde heeft de Raad
verzocht om zelf in de zaak te voorzien en eerst de boetenota's met f
10.986,-- (€ 4.985,23) te matigen, waardoor de boetenota's komen te
vervallen. Gedaagde heeft de Raad voorts verzocht de overige f 39.014,--
(€ 17.703,78) in mindering te brengen op de premienota's.
Naar aanleiding van de grief van appellanten dat gedaagde onnodig lang
heeft getalmd met de aansprakelijkstelling overweegt de Raad onder
verwijzing naar zijn uitspraak van 27 maart 2003, onder andere
gepubliceerd in RSV 2003/108, dat het te dezen gaat om een uit de wet
voortvloeiende, niet aan een termijn gebonden aansprakelijkheid van een
bestuurder van een vennootschap voor door deze vennootschap onbetaald
gebleven premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Daarbij komt
dat een voormalige bestuurder van een gefailleerde vennootschap er
rekening mee moet houden dat na het faillissement nog nadere
premievaststelling ten laste van de vennootschap kan volgen en wel
uiterlijk tot vijf jaar na en over het jaar waarin het faillissement is
uitgesproken. Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de Raad dat
van talmen geen sprake kan zijn, indien nog geen vijf jaar zijn
verstreken na het faillissement. Daarbij komt dat in de onderhavige
gevallen er in de periode van de melding betalingsonmacht op 25 juli
1995 tot aan de aansprakelijkstelling bij de primaire besluiten van 18
februari 1997 geen periode valt aan te wijzen, waarin gedaagde onnodig
lang heeft stilgezeten.
Voorts treft naar het oordeel van de Raad ook het beroep van appellanten
op het vertrouwensbeginsel geen doel. Volgens de Raad kon gedaagde
ondanks het aanbieden van excuses voor de onduidelijkheid, die blijkbaar
bij appellanten omtrent het inzenden van de stukken als bedoeld in
artikel 16d, tweede lid, van de CSV was ontstaan, tot de onderhavige
aansprakelijkstellingen overgaan.
De Raad ziet in het nadere standpunt van gedaagde met betrekking tot de
hoogte van de aansprakelijkstellingen aanleiding om met vernietiging van
de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten voor zover het de
hoogte van de aansprakelijkstellingen betreft, en met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de
bedragen van de aansprakelijkstellingen overeenkomstig het verzoek van
gedaagde vast te stellen op f 308.172,49 (€ 139.842,58).
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van
appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld
op € 1.288,--.
De Raad stelt tot slot vast dat de door appellanten in beroep en in
hoger beroep gestorte griffierechten door gedaagde dienen te worden
vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de
aansprakelijkstellingen betreft;
Bepaalt de hoogte van de aansprakelijkstellingen op een bedrag van f
308.172,49 (€ 139.842,58);
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag
groot € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellanten de gestorte rechten van € 127,06
(f 280,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 september
2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|