|
Uitspraak
01/1264
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
in deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 6 april 2001
aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de
rechtbank Haarlem onder dagtekening 8 januari 2001 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is onder dagtekening 8 mei 2001 een verweerschrift
ingediend.
Bij schrijven van 12 juni 2002, voorzien van bijlagen, heeft de
gemachtigde van appellante de Raad een nadere toelichting op het beroep
toegezonden.
Vanwege gedaagde is hierop gereageerd bij brief van 27 augustus 2002.
Bij faxbericht van 18 augustus 2003 heeft de gemachtigde van appellante
de Raad zijn pleitnota ten behoeve van de mondelinge behandeling van de
zaak doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 augustus
2003, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.E.
Bindemann, als belastingadviseur verbonden aan Mazars Paardekooper
Hoffman te Amsterdam, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. M.A.
Koenders, werkzaam bij het Uwv.
Voorts zijn ter zitting verschenen namens de Stichting [naam stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de stichting), [voorzitter
stichting], [secretaris stichting] en [penningmeester stichting],
onderscheidenlijk voorzitter, secretaris en penningmeester van het
bestuur van de stichting.
II. MOTIVERING
1. Met betrekking tot de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden overweegt de Raad het volgende.
De stichting is op 29 augustus 1985 opgericht in het kader van de
verzelfstandiging van de [naam groep] Groep uit het Elsevier-concern.
Tot en met 28 oktober 1998 heeft de stichting de aandelen gehouden van
de [naam groep] Groep B.V. Op 29 oktober 1998 heeft de stichting de
aandelen van de topholding [naam groep] Groep verkocht aan [naam N.V.]
N.V. De reden voor deze verkoop was dat de financiële resultaten en
vooruitzichten ontoereikend werden geacht voor een zelfstandig
voortbestaan van de [naam groep] Groep. Door de verkoop van aandelen
kwam de stichting in het bezit van liquide middelen. In verband hiermede
zijn de statuten van de stichting, die onder meer tot doel had het
bevorderen van de continuïteit van de ondernemingen van de [naam groep]
Groep en de daaraan verbonden werkgelegenheid, alsmede het behartigen
van de belangen van de (gewezen) werknemers, in dier voege gewijzigd dat
het doel van de stichting werd uitgebreid met het doen van uitkeringen
aan (gewezen) werknemers.
Met het oog op de besteding van eerderbedoelde middelen heeft het
bestuur van de stichting in 1998 de Regeling besteding gelden Stichting
[naam stichting] vastgesteld (hierna: de regeling). In artikel 1 van de
regeling is met betrekking tot het vermogen van de stichting het
volgende onderscheid gemaakt:
a) gelden die minimaal vijf jaar gereserveerd moeten blijven in verband
met garanties die waren afgegeven aan voornoemde naamloze vennootschap;
b) gelden die minimaal een jaar gereserveerd moeten blijven in verband
met een resultaatsgarantie over 1998;
c) de rest van het vermogen.
Ingevolge de regeling zou het vermogen dat niet gereserveerd behoefde te
blijven, op korte termijn worden uitgekeerd aan zowel werknemers als
oud-werknemers van de [naam groep] Groep. Gelden die minimaal een jaar
gereserveerd moesten worden, zouden afhankelijk van de afloop van de
garantie worden uitgekeerd aan de werknemers van de [naam groep] Groep
onder voorwaarde dat zij op 28 oktober 1998 in dienst waren. Het
vermogen dat tenminste vijf jaar gereserveerd diende te blijven, zou
afhankelijk van de afloop van de garanties, worden besteed aan een niet
commercieel doel in de grafische industrie.
Eind 1998 hebben de eerste betalingen aan het toen in dienst zijnde
personeel plaatsgevonden. Begin 1999 zijn betalingen verricht aan een
groot deel van het gewezen personeel. De uitbetaling van de tweede
tranche, de gelden bedoeld onder B, is vooralsnog opgeschort.
De hoogte van de uitkering is ingevolge artikel 7.a en artikel 9 van de
regeling voor werknemers van appellante gerelateerd aan de diensttijd
welke bij appellante of een van de andere onderdelen van de [naam groep]
Groep is doorgebracht in het tijdvak 29 augustus 1985 tot en met 28 oktober 1998, zijnde de periode waarin de
aandelen in het bezit waren van de stichting.
2. In dit geding is aan de orde het antwoord op de vraag of de uitkering
die de stichting heeft betaald aan werknemers van appellante, kan worden
aangemerkt als premieplichtig loon in de betekenis van artikel 4 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV). In het eerste lid van
dit artikel is het begrip "loon" gedefinieerd als al hetgeen
uit dienstbetrekking wordt genoten.
Bij bedoelde werknemers gaat het blijkens het besluit in primo d.d. 11
januari 1999 niet om personen met wie het dienstverband reeds beëindigd
was.
3. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de betalingen die de
stichting in verband met voornoemde verkoop van aandelen heeft gedaan
aan werknemers van appellante, moeten worden aangemerkt als loon in de
hiervoor weergegeven betekenis. Daarbij heeft gedaagde zich niet
gebaseerd op de enkele omstandigheid dat het bestaan van een
dienstbetrekking het behalen van bedoeld voordeel voor werknemers van
appellante mogelijk maakte, doch tevens in aanmerking genomen dat een
zeer nauwe verbondenheid bestond tussen appellante en de stichting. Naar
de mening van gedaagde moet gezien de zich voordoende feiten en
omstandigheden worden aangenomen dat appellante medewerking heeft
verleend aan de verstrekking van de uitkeringen.
Gedaagde stelt zich in verband met het arrest van de Hoge Raad d.d. 1
november 2000, nr. 361 (RSV 2001/13), op het standpunt dat moet worden
gesproken van loon in eerdervermelde betekenis, indien een voordeel met
medeweten van de werkgever wordt verstrekt door een andere
concernmaatschappij dan die waar de werknemer in dienstbetrekking is, en
dat voordeel niet aan de werkgever wordt doorberekend. De omstandigheid
dat de stichting op het tijdstip van betaling niet meer behoorde tot
hetzelfde concern als waartoe appellante behoorde, neemt naar de mening
van gedaagde niet weg dat de betalingen geacht moeten worden te zijn
gedaan binnen hetzelfde concern, zulks gelet op de omstandigheid dat de
betalingen een rechtstreeks gevolg waren van de aandelenoverdracht aan
[naam N.V.] N.V., en gezien de zeer nauwe verwevenheid tussen appellante
en de stichting.
Gedaagde is - anders dan appellante - van mening dat geen sprake is van
loon uit vroegere dienstbetrekking. De in het geding zijnde betalingen
vinden - aldus gedaagde - hun grond in de tegenwoordigheid van een
dienstbetrekking bij appellante, terwijl voorts een relatie bestaat met
de diensttijd die de werknemer bij appellante heeft doorgebracht.
4. Van de zijde van appellante is in de eerste plaats aangevoerd dat de
betalingen door de stichting aan werknemers van appellante inkomsten uit
arbeid betreffen, die niet als loon in de zin van artikel 4 CSV zijn aan
te merken. Daartoe is - samengevat weergegeven - betoogd dat gedaagde
door bij het besluit op bezwaar d.d. 28 oktober 1999 ter zake van het
toepasselijk loonbegrip te verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad d.d.
18 juni 1997 (BNB 1997/282) blijk geeft van een onjuiste uitleg van
artikel 4 CSV. In dat verband is naar voren gebracht dat genoemd arrest
in het bijzonder betrekking heeft op artikel 22, tweede lid, Wet IB
1964, waarbij een uitbreiding wordt gegeven aan het loonbegrip van
artikel 22, eerste lid, onder a, dier wet. Deze uitbreiding geldt echter
niet voor het in artikel 10 Wet LB 1964 vervatte loonbegrip, noch voor
het - parallelle - loonbegrip van artikel 4 CSV.
Voorts is vanwege appellante gesteld dat appellante in het geheel geen
bemoeienis heeft gehad met de besluitvorming inzake het toekennen van de
uitkeringen en ook nauwelijks van doen heeft gehad met de uitvoering van
de regeling.
Zo heeft de stichting met het oog op de betaling van de uitkering een
eigen administratie met betrekking tot de (gewezen) werknemers opgezet.
In hoger beroep is subsidiair namens appellante gesteld dat - gelijk ook
gedaagde heeft geoordeeld - geen sprake is van loon van derden in de zin
van artikel 7 CSV. Meer subsidiair is betoogd dat de betalingen door de
stichting loon uit vroegere dienstbetrekking betreffen. Daartoe is naar
voren gebracht dat de hoogte van de uitkering slechts is gekoppeld aan
de duur van het dienstverband bij de [naam groep] Groep in een bepaalde
periode, waarbij geen sprake is van enig verband tussen een prestatie in
die periode of de hoogte van het salaris.
5. Naar aanleiding van het voorafgaande overweegt de Raad als volgt.
5.1 Voor de beantwoording van de in dit geding voorliggende rechtsvraag
of de uitkeringen die de stichting heeft verstrekt aan de in het besluit
in primo bedoelde werknemers van appellante, premieplichtig loon
betreffen, moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen hetgeen
de Hoge Raad heeft overwogen in eerdergenoemd arrest van 1 november
2000. Daarbij ging het om voordeel uit een premiespaarplan van een
moedermaatschappij, dat toevloeide aan werknemers van een onderneming
die deel uitmaakte van het concern. Overwogen is onder meer:
"Indien, zoals hier, een werknemer in de zin van
artikel 2 Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) in verband
met zijn dienstbetrekking een voordeel geniet van een ander dan die
werkgever in de zin van artikel 3 CSV, is - behoudens indien en voor
zover sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden (...) -
slechts sprake van premieplichtig loon in de zin van artikel 4 CSV
indien dat voordeel wordt verstrekt in opdracht van voor rekening van
die werkgever. Met laatstbedoelde situatie moet echter op een lijn
worden gesteld een geval als het onderhavige waarin binnen een concern
het voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt door een
andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in
dienstbetrekking is en dat voordeel niet aan de werkgever wordt
doorberekend."
5.2 Naar het oordeel van de Raad doet zich met betrekking tot
eerderbedoelde werknemers van appellante, die een uitkering van de
stichting hebben ontvangen, een situatie voor die in rechtens relevante
zin gelijk kan worden gesteld met de omstandigheden waarin de in het
arrest bedoelde werknemers verkeerden. Daarbij neemt de Raad in
aanmerking dat de onderhavige werknemers, naar moet worden aangenomen,
op 28 oktober 1998 in een dienstbetrekking tot appellante stonden en dat
zij hun aanspraak op uitkering ontleenden aan de duur van deze
dienstbetrekking al dan niet in combinatie met een dienstbetrekking bij
een andere onderneming van de [naam groep] Groep.
5.3 Weliswaar maakten appellante en de stichting ten tijde van het
verstrekken van de uitkeringen geen deel uit van hetzelfde concern, doch
niet kan worden voorbijgegaan aan de - door gedaagde en de rechtbank benadrukte - nauwe verbondenheid
die tussen de stichting en appellante heeft bestaan. Hierbij moet -
gelijk ook de rechtbank heeft gedaan - in aanmerking worden genomen (-)
dat de stichting in de periode van augustus 1985 tot 29 oktober 1998 de
aandelen heeft gehouden van het concern waartoe appellante behoorde, (-)
dat de stichting onder meer tot doel had de belangen van de (gewezen)
werknemers van het concern te behartigen, welk doel na het verkrijgen
van kapitaal dat volledig werd gevormd door de opbrengst van de
voornoemde aandelenverkoop, is uitgebreid met het verstrekken van
uitkeringen aan (gewezen) werknemers, en (-) dat de stichting met het
doen van de uitkeringen laatstgenoemde doelstelling heeft verwezenlijkt
en nadien geen andere doelstellingen heeft verwezenlijkt.
5.4 Naar het oordeel van de Raad moet er voorts op grond van de
beschikbare gegevens van worden uitgegaan dat in het kader van de
uitvoering van de regeling sprake is geweest van medeweten en een vorm
van medewerking aan de zijde van appellante.
5.5 Het vorenoverwogene leidt de Raad tot dezelfde slotsom als waartoe
de rechtbank is gekomen, namelijk dat hier sprake is van een voordeel
dat rechtstreeks zijn oorzaak vindt in het verrichten van arbeid ten
behoeve van appellante; zijnde een voordeel dat geacht moet worden
afkomstig te zijn van appellante.
5.6 De Raad oordeelt voorts dat hier geen sprake is van voordeel uit
vroegere dienstbetrekking. Ware dit - zoals appellante heeft gesteld -
wel het geval, dan zou geen sprake zijn van loon in de betekenis van
artikel 4, eerste lid, CSV.
In dit verband is van betekenis hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in
zijn arrest d.d. 11 juli 2003, nr. 432 (USZ 2003/254):
"Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het
onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit
vroegere dienstbetrekking bepalend of de uitkeringen ten nauwste verband
houden met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak
verrichte arbeid, dan wel die uitkeringen slechts meer algemeen hun
oorzaak vinden in voorheen verricht zijn van arbeid (o.a. H.R. 21 juni 2000, nr. 358, BNB 2000/271). Van uitkeringen wegens overlijden
of invaliditeit kan niet worden gezegd dat die een rechtstreekse
beloning vormen voor bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte
arbeid. Zij moeten derhalve worden aangemerkt als loon uit een vroegere
dienstbetrekking."
5.7 Naar het oordeel van de Raad houden de uitkeringen die zijn gedaan
aan de onderhavige werknemers van appellante, ten nauwste verband met
arbeid die in een bepaald tijdvak is verricht in een dienstbetrekking
bij appellante. Dit bestempelt de uitkering aan deze werknemers tot loon
uit een tegenwoordige dienstbetrekking bij appellante. De omstandigheid
dat ook een dienstbetrekking die eerder in voorvermelde periode is
doorgebracht bij een andere onderneming van de [naam groep] Groep,
bijdraagt aan de aanspraak op uitkering, maakt dit niet anders. De Raad
kent ook in dit verband betekenis toe aan de nauwe onderlinge relaties
welke in concernverband hebben bestaan.
5.8 In verband met het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat de
opvatting van appellante dat gedaagde een onjuiste uitleg en toepassing
heeft gegeven aan artikel 4 CSV, faalt en dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt derhalve zoals hierna is vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|