|
Uitspraak
01/1056
CSV en 01/1057 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant;
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 21 december 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 10 december 1996,
waarbij zij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de door
[bedrijfsnaam] ( hierna: [afk. bedrijfsnaam]) verschuldigde, doch niet
betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringen over de jaren
1991 tot en met 1993, zulks ten bedrage van f 77.474,40.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 januari 2001 de namens
appellanten tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellanten zijn bij gemachtigde mr. A.D. Brouwers-Wozniak, advocaat te
Soest, op bij aanvullend beroepschrift van 4 april 2001 aangevoerde
gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 1 juni 2001, ingediend.
Bij faxbericht van 21 augustus 2003 is namens appellanten nog een stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 augustus
2003, waar voor appellanten is verschenen mr. Brouwers-Wozniak,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was van 26 januari 1990 tot 17 augustus 1993 bestuurder van [afk.
bedrijfsnaam] en appellant was vanaf 26 januari 1990 bestuurder van
appellante. Per 17 augustus 1993 is [afk. bedrijfsnaam] failliet
verklaard.
Bij de bestreden besluiten heeft gedaagde overwogen dat het niet betalen
van de premies het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement.
Door gedaagde is daarbij verwezen naar de inhoud van
faillissementsverslagen, in het bijzonder naar het verslag van 21
februari 1994. Daaruit kan worden opgemaakt dat onder andere sprake is
geweest van een onverantwoorde gang van zaken bij aandelentransacties en
van het onverantwoord laten oplopen van schulden. Verder heeft gedaagde
gewezen op het feit dat geen premies ingevolgde de sociale
werknemersverzekeringswetten zijn ingehouden op de lonen van de drie
directieleden van [afk. bedrijfsnaam]. Gedaagde is van mening dat aan
appellanten toe te rekenen kennelijk onbehoorlijk bestuur er toe heeft
geleid dat [afk. bedrijfsnaam] op 17 augustus 1993 failliet is
verklaard, tengevolge waarvan de door [afk. bedrijfsnaam] over de jaren
1991 tot en met 1993 onbetaald gelaten premies niet konden worden
voldaan.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens appellanten
tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellanten onder andere aangevoerd dat het
feit dat de premies onbetaald zijn gebleven geen verband houdt met
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voorts is een beroep gedaan op het
rechtszekerheidsbeginsel. In dat verband is onder meer gesteld dat
appellanten na de premievaststelling er vanuit gingen dat de premies uit
de toereikende boedel zouden worden voldaan, gelet op de brieven van 13
december 1996 waarin door gedaagde aan appellanten is medegedeeld dat er
een reële kans bestaat dat de vorderingen van gedaagde op [afk.
bedrijfsnaam] uit de boedel kunnen worden voldaan. Tevens is gesteld dat
de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens is overschreden. Door deze overschrijding is
er sprake van een onacceptabele rechtsonzekerheid voor appellanten.
De Raad overweegt als volgt.
Appellanten zijn als bestuurder ingevolge artikel 16d, derde lid, van de
CSV aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de
premie door [afk. bedrijfsnaam] het gevolg is van aan hen te wijten
kennelijk onbehoorlijk bestuur. Niet in geding is dat het in het
onderhavige geval op de weg van gedaagde ligt dit aannemelijk te maken.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat hetgeen uit de
faillissementrapporten naar voren komt, voldoende stem biedt aan de
opvatting dat sprake is geweest van aan de bestuurders van [afk.
bedrijfsnaam] te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit kennelijk
onbehoorlijk bestuur heeft, naar moet worden aangenomen, geleid tot het
faillissement van [afk. bedrijfsnaam], waardoor de door [afk.
bedrijfsnaam] over de jaren 1991 tot en met 1993 onbetaald gelaten
premies ingevolgde de werknemersverzekeringen, niet konden worden
voldaan.
Voorts is de Raad van oordeel dat in het licht van de relevante
regelgeving met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid
gedaagde in beginsel gehouden was om alle bestuurders hoofdelijk
aansprakelijk te stellen. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad
kunnen zich echter zodanige bijzondere omstandigheden voordoen, dat de
bestuurder zich op grond daarvan kan disculperen van zijn
verantwoordelijkheid voor het gevoerde beleid. In dit verband is van de
zijde van appellanten erop gewezen dat de Vereniging voor de
Effectenhandel in verband met de jeugdige leeftijd en onervarenheid van
appellant als voorwaarde stelde dat ten behoeve van appellant een mentor
zou worden aangesteld alvorens voor de werkzaamheden van [afk.
bedrijfsnaam] in het kader van de effectenhandel een vergunning zou
worden afgegeven. Als zodanig is H.C. Misdorp, eveneens bestuurder van [afk.
bedrijfsnaam], aangesteld. In het bestreden besluit heeft gedaagde
overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond
waarvan appellant zich zou kunnen disculperen ter zake van kennelijk
onbehoorlijk bestuur. Uit de gedingstukken is echter niet gebleken dat
gedaagde onderzoek heeft gedaan naar de aard van het mentorschap, de rol
van de Vereniging voor de Effectenhandel daarin en de betekenis van het
mentorschap voor de bevoegdheden van appellant als bestuurder. Evenmin
kon ter zitting van de kant van gedaagde op enkele in verband daarmee
ter opheldering gestelde relevante vragen antwoord worden gegeven. De
Raad is van oordeel dat gedaagde aldus op onvoldoende wijze de
nadrukkelijk door appellanten aangevoerde bijzondere aspecten van het
onderhavige geval in zijn beoordeling heeft betrokken. Een op deze
bijzondere aspecten toegesneden motivering had niet mogen ontbreken, nu
- zoals hiervoor is overwogen - het op de weg van gedaagde ligt het
bestaan van kennelijk onbehoorlijk bestuur voldoende aannemelijk te
maken. Hieruit volgt dat de bestreden besluiten reeds dienen te worden
vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel respectievelijk
het beginsel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke
motivering, welke beginselen zijn verankerd in artikel 3:2
respectievelijk artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De
overige grieven kunnen derhalve buiten bespreking blijven.
Met het oog op een nieuw te nemen besluit op bezwaar overweegt de Raad
nog het volgende. Reeds kort na het nemen van het primaire besluit van
10 december 1996 bestond bij gedaagde kennelijk de verwachting dat de
premieschuld zeer waarschijnlijk uit de boedel zou kunnen worden
voldaan. Immers bij brief van 13 december 1996 wordt door gedaagde aan
appellanten medegedeeld dat het verschuldigde bedrag gedurende drie
maanden buiten invordering wordt gelaten omdat er een reële kans
bestaat dat de vordering op [afk. bedrijfsnaam] uit de boedel kan worden
voldaan. Ter zitting is desgevraagd van de kant van gedaagde meegedeeld
dat met de curator wel telefonisch contact is geweest, doch dat tot aan
de dag van de zitting geen enkele poging is ondernomen om de vordering
vooruitlopend op de afwikkeling van het faillissement uit de boedel te
laten voldoen. De Raad meent dat daarvoor echter wel voldoende reden
was, gelet op het saldo van de faillissementsrekening dat ruim boven het
door gedaagde te vorderen premiebedrag ligt, en gelet op het feit dat
gedaagde kennelijk de enige preferente schuldeiser is. Verder wijst de
Raad erop dat inmiddels ook de schuld aan de belastingdienst is voldaan.
De Raad acht het derhalve aangewezen dat gedaagde niet tot het nemen van
een nieuw bestreden besluit overgaat dan nadat de curator alsnog is
benaderd met het verzoek de premieschuld uit de boedel te voldoen.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot de slotsom dat het
hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 21 december
1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten van in totaal
€ 1.288,--;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellanten het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde recht van
€ 496,89 ( voorheen ¦ 1.095,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25
september 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|