|
Uitspraak
01/746
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. P.H.G.C. Gremmen, advocaat te Etten-Leur, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Breda op 4 januari 2001 tussen partijen
gewezen en op 12 januari 2001 verzonden uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 september 2003,
waarbij appellante noch haar gemachtigde zijn verschenen, en waarbij
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In de eerste maanden van 1997 heeft een medewerker van gedaagde een
looncontrole ingesteld bij appellante naar aanleiding waarvan gedaagde
heeft geconcludeerd dat er verschillen bestonden tussen de in de
administratie van appellante aangetroffen gegevens en de door appellante
ingezonden loonopgaven. Dit heeft geleid tot een bij primair besluit
vastgelegde correctienota voor de jaren 1994 tot en met 1996, voor een
totaalbedrag van f 244.319,96. Tevens zijn bij dat besluit boetes
opgelegd.
De tegen dat besluit ingediende bezwaren heeft gedaagde bij het thans
bestreden besluit van 30 maart 1999 gedeeltelijk gegrond verklaard. De
correctienota over de jaren 1994 tot en met 1996 is bijgesteld tot een
totaalbedrag van f 28.604,--, terwijl de boetes zijn herzien tot één
boete, waarbij tevens het opgelegde bedrag is verlaagd.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de bestreden uitspraak
overwogen dat appellante de hoogte van de omzetcijfers over de jaren
1995 en 1996 gemotiveerd heeft betwist en dat gedaagde de stellingen van
appellante niet nader heeft onderzocht, terwijl ter zitting van de
rechtbank dienaangaand evenmin duidelijkheid noch een inhoudelijke
reactie kon worden gegeven. De rechtbank heeft dat aangemerkt als een
motiverings- en onderzoeksgebrek. In verband met de berekening van de
omzet heeft de rechtbank voorts nog overwogen dat het door gedaagde bij
de berekening van de omzet gehanteerde zogenoemde schrijfurentarief van
f 60,-- haar niet irreëel voorkomt.
De Raad begrijpt de stellingen van appellante in hoger beroep ten
aanzien van de omzet aldus dat appellante van mening is dat de rechtbank
de omzet over 1994 op f 19.006,-- en over 1995 op f 308.496,-- had
moeten vaststellen. Volgens appellante moet die omzet over 1994 worden
afgeleid uit de factuur aan het bedrijf [naam B.V.] Het bedrag van die
factuur moet volgens haar op de totale omzet over 1994 in mindering
worden gebracht, hetgeen ook gevolgen heeft voor de omzet in 1995. Ten
aanzien van het schrijfurentarief over 1996 is appellante van mening dat
de rechtbank dat tarief in ieder geval op een bedrag van f 62,50 per uur
had moeten stellen.
Gedaagde heeft zich aanvankelijk neergelegd bij het oordeel van de
rechtbank omdat, aldus de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de
Raad, gedaagde heeft onderkend dat het onderzoek inderdaad niet
voldoende zorgvuldig is geweest. In het verweer in hoger beroep heeft
gedaagde echter aangegeven dat de berekening in het bestreden besluit op
basis van de facturen die in de administratie van appellante werden
aangetroffen, juist is geweest, zodat de omzet over 1994 en 1995 terecht
op f 27.853,30 is gesteld. Ten aanzien van het schrijfurenloon heeft
gedaagde gesteld dat dit is vastgesteld na steekproefsgewijs onderzoek
bij diverse opdrachtgevers, terwijl appellante niet aannemelijk heeft
kunnen maken dat het schrijfuurloon niet in overeenstemming is met de
bedrijfsvoering over de jaren 1994 tot en met 1996.
De Raad overweegt als volgt.
In hoger beroep heeft appellante geen gegevens ingebracht die niet reeds
ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar bij gedaagde bekend
waren. Uit die gegevens is niet zonder meer af te leiden dat de omzet
over 1994 zou moeten worden verlaagd met de aan [naam B.V.] gerichte
factuur. Ook in hoger beroep zijn er in dat verband door appellante geen
nieuwe gegevens ingebracht waaruit zonder meer blijkt dat de omzet over
1994 moet worden bijgesteld. Evenmin is hiervoor een overtuigende reden
gegeven. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de omzet over 1994 en
1995 vast te stellen overeenkomstig het door appellant in hoger beroep
gestelde. Nu, zoals ook gedaagde heeft erkend, het onderzoek
onzorgvuldig is geweest, heeft de rechtbank terecht het bestreden
besluit vernietigd. Eerst naar aanleiding van de vernietiging in beroep,
heeft gedaagde een nader onderzoek naar, onder meer, die facturering
verricht. Dat gedaagde thans - vooralsnog - tot de conclusie is gekomen
dat het bestreden besluit op de juiste feitelijke gegevens berust, heeft
geen betekenis voor het bestreden besluit, nu gedaagde zich immers heeft
neergelegd bij de uitspraak van de rechtbank en geen nieuwe beslissing
op bezwaar heeft gegeven.
Hetgeen door appellante is gesteld met betrekking tot het
schrijfurentarief kan er evenmin toe leiden dat de aangevallen uitspraak
moet worden vernietigd, nu immers dat deel van de uitspraak slechts ziet
op een onderdeel van de besluitvorming van gedaagde dat in de
heroverweging naar aanleiding van de vernietiging in ieder geval aan de
orde dient te komen.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. A.B.J. van der Ham, leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25
september 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|