|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/1362 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], wonende te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 17 september 1999 heeft gedaagde aan appellante
correctienota's opgelegd over 1994 tot en met 1998 en bij besluiten van
27 september 1999 zijn boetenota's over die jaren verzonden.
Bij besluit van 29 december 1999 (verder te noemen: het bestreden
besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 17 en 27
september 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Den Bosch heeft bij uitspraak van 17 januari 2001 het
beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. drs. J.R.P.M. Nielen, belastingadviseur te
Katwijk-Cuijk op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24
september 2003. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde,
voornoemd. Namens gedaagde is verschenen mr. L.M. Kos, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Looncontroleur H.M. van Oorschot heeft op 23 juni en 19 juli 1999 een
looncontrole uitgevoerd bij appellante. Daarbij is gebleken dat vanaf
juni 1994 maandelijks een bedrag van f 200,-- als algemene kosten werd
uitgeboekt. Volgens [directeur-grootaandeelhouder],
directeur-grootaandeelhouder van appellante, zouden van dit geld onder
meer VVV-bonnen, dinerbonnen, flessen wijn en andere kado's ten behoeve
van nieuwe en bestaande klanten worden bekostigd. Nu deze uitgaven niet
aantoonbaar zijn, is gedaagde in navolging van de looninspecteur van
oordeel dat deze bedragen als premieplichtig moeten worden aangemerkt,
als gevolg waarvan de besluiten van 17 september 1999 zijn afgegeven.
Omdat er naar de mening van gedaagde sprake is van opzet of grove
schuld, als bedoeld in het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet,
heeft gedaagde bij de besluiten van 27 september 1999 boetes opgelegd
ter hoogte van 25% van de nagevorderde premie. Bij het bestreden besluit
heeft gedaagde deze besluiten gehandhaafd, welk standpunt door de
rechtbank is onderschreven.
De Raad overweegt als volgt.
Gedaagdes standpunt komt er op neer dat, nu niet is aangetoond waartoe
eerdergenoemde opnames uit de kas zijn aangewend, moet worden aangenomen
dat ze zijn besteed ten behoeve van werknemers van appellante, waardoor
deze bedragen als loonbedragen behoren te worden aangemerkt, waarover
premie is verschuldigd.
Naar het oordeel van de Raad kan dit standpunt niet worden gevolgd. De
bedragen zijn opgenomen door [directeur-grootaandeelhouder], ten tijde
hier van belang directeur-grootaandeelhouder van appellante. Indien in
een situatie als hier aan de orde, bedragen worden opgenomen door een
niet verzekeringsplichtige functionaris van een bedrijf zonder dat is
aangetoond waarvoor deze bedragen zijn aangewend, dan staat het gedaagde
niet vrij om er zonder meer van uit te gaan dat deze bedragen zijn
besteed ten behoeve van werknemers. Dit te minder indien, zoals in het
onderhavige geval, daarvoor iedere aanwijzing ontbreekt en de uitleg van
degene die het geld heeft opgenomen wat de besteding daarvan betreft, de
Raad op voorhand niet volstrekt onaannemelijk voorkomt.
In een dergelijk geval geldt als minimale eis dat gedaagde op enigerlei
wijze concreet aannemelijk maakt dat met de opnames betalingen worden
verricht die moeten worden aangemerkt als loon waarover premies zijn
verschuldigd.
Gelet op de van belang zijnde feiten en omstandigheden in onderlinge
samenhang bezien, komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde hierin niet
is geslaagd. Voor de opgelegde correctie ontbreekt dan ook een
toereikende motivering. Dit betekent dat ook de grondslag aan de
opgelegde boetes is komen te ontvallen.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd evenals, onder gegrondverklaring van het beroep, het
bestreden besluit.
Gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten die
appellante in verband met haar beroep en hoger beroep redelijkerwijs
heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- in beroep en
€ 644,-- in hoger beroep terzake van verleende rechtsbijstand. Tevens
dient gedaagde aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in
totaal € 510,50 (f 1.125,--) te vergoeden.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van appellante, in
totaal begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv het door appellante gestorte griffierecht van in
totaal € 510,50 aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|