|
Uitspraak
01/1901
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 mei 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellant tegen het besluit van 5 november 1998, waarin
laatstgenoemde in zijn hoedanigheid van bestuurder op grond van artikel
16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk is
gesteld voor de door ["het lichaam"] (verder: het lichaam)
onbetaald gelaten premies ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet over
de jaren 1992 tot en met 1995 tot een bedrag van f 42.092,71. Daarbij
zijn tevens de - niet nader betwiste - voor 1994 opgelegde boeten in
verband met het niet insturen van loonopgaven in stand gelaten.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 22 februari 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. R.H. van Muijen, advocaat te 's-Hertogenbosch,
op de bij een aanvullend beroepschrift van 22 mei 2001 aangevoerde
gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 15 augustus 2001 van verweer gediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 23 juli 2003 nog een ontbrekend
schriftelijk stuk verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 september
2003, waar appellant, na bericht vooraf, noch in persoon noch bij
gemachtigde is verschenen en waar alleen gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen, daartoe opgeroepen, door gemachtigde mr. H.B. Heij,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor de dit geding betreffende feiten naar hetgeen in
de aangevallen uitspraak is vermeld, en stelt vast dat hetgeen van de
zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd tegen zijn
aansprakelijkstelling als bestuurder op basis van artikel 16d van de CSV
in essentie op hetzelfde neerkomt als hetgeen reeds in de bezwaarfase en
in het geding in eerste aanleg naar voren is gebracht. De strekking van
de hieraan door de rechtbank gewijde overwegingen kan de Raad in
hoofdlijnen delen.
De centrale stelling van appellant in hoger beroep blijft hierop
neerkomen dat nu gedaagde desgevraagd 29 december 1994 schriftelijk door
de belastingdienst in kennis is gesteld van de alleszins waarschijnlijke
betalingsonmacht aan de zijde van appellant, gedaagde zelf reeds de
nodige maatregelen had kunnen treffen, en niet langer irrelevante
brieven in de vorm van een dwangbevel in de loop van 1995 naar appellant
toe had moeten zenden om opheldering over diens betalingssituatie te
verkrijgen en een bij uitstek tot gedaagde zelf gerichte schriftelijke
reactie af te dwingen welke dan ook volgens gedaagde aan alle vereisten
van melding van betalingsonmacht door appellant in de zin van artikel
16d van de CSV zou voldoen.
De Raad onderschrijft, evenals gedaagde en met de rechtbank, de
juistheid van de stelling van appellant niet. Noch in de adressering, de
aard en de inhoud van de onderlinge correspondentie tussen
belastingdienst en gedaagde van eind 1994 kan de Raad een door de wetgever geëiste mededeling van betalingsonmacht van
appellant aan gedaagde zelf lezen. Weliswaar is bedoelde mededeling niet
aan bepaalde vormen gebonden en kan deze derhalve op diverse manieren
geschieden, maar dit betekent niet dat een door een derde gedane
opmerking aan gedaagde, waarvan appellant niet op de hoogte is, als een
zodanige mededeling kan worden aangemerkt. Het voorhanden zijn van een
zodanige mededeling kan gezien de ingrijpende rechtsgevolgen hiervan ook
niet voetstoots worden aangenomen. In dit licht bezien, was de
correspondentie van gedaagde in de loop van 1995 - evenals hiervoor - om
opheldering en dwang inzake betaling vanwege appellant allerminst
overbodig te noemen, en had een adequate reactie van appellant hierop
als een conditio sine qua non zeker niet achterwege mogen en kunnen
blijven. Daardoor is het wettelijk vermoeden ten aanzien van appellant
van hem toe te rekenen kennelijk onbehoorlijk bestuur ter zake van het
niet betalen van sociale verzekeringspremies gelijkelijk voor en na eind
1994 een gegeven. Het voorhanden zijn van enige verhaalsmogelijkheid te
zijnen aanzien is hierop als zodanig van geen enkele invloed.
Voor wat de van de zijde van appellant in hoger beroep eveneens betwiste
jaren vergende langdurige besluitvorming tot aansprakelijkstelling
jegens hem vanwege gedaagde betreft, kan de Raad, gegeven de
procesmomenten waarbij respectievelijk weloverwogen op financiële
gronden eerst verhaal bij het lichaam werd gezocht en daarna op gezette
tijden - zij het helaas niet in elke fase van het onderzoek met de meest
bekwame spoed - in beweging gezet bij de voor verhaal vatbare
bestuurder, zonder dat van laatstbedoelde zijde enige - laat staan op
gerede voortgang - gerichte tegenactie werd ondernomen, geen zodanige
aantasting van het beginsel van de zorgvuldigheid hierin zien, dat zulks
in casu de toets van de rechterlijke kritiek niet langer zou kunnen
doorstaan.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
Tenslotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H.G.
Rottier en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2
oktober 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|