|
Uitspraak
01/801
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 mei 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen de correctienota's van 20 augustus 1999 over de premiejaren 1996 tot en met 1998 en de
boetenota's van 25 augustus 1999 over de premiejaren 1997 en 1998.
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 30 januari 2001 het
namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante is bij gemachtigde drs. J.B.G.Vrolijk, belastingadviseur, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij
de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 september
2003, waar appellante noch haar gemachtigde zijn verschenen, en waar
gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij zijn
gemachtigde mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een door gedaagde gehouden looncontrole bij
appellante, heeft gedaagde aan appellante in verband met het verstrekken
van bovenmatige maaltijdvergoedingen over de jaren 1996 tot en met 1998
op 20 augustus 1999 correctienota's voor de premie ingevolge de sociale
werknemersverzekeringen opgelegd, tot een totaal bedrag van f 7.518,--.
Voorts heeft gedaagde bij besluit van 25 augustus 1999 aan appellante
over de jaren 1997 en 1998 administratieve boetes opgelegd, tot een
totaal bedrag van f 1.797,--.
Het door appellante daartegen gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij het
besluit van 4 mei 2000 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde
overwogen dat de gepresenteerde onkostenvergoeding naar objectieve
maatstaven moet kunnen strekken tot vergoeding van kosten die door de
uitoefening van de dienstbetrekking noodzakelijk zijn. Hiervan is
volgens gedaagde sprake indien de vergoeding betrekking heeft op
uitgaven die objectief gesproken kunnen bijdragen tot een behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, voor zover die uitgaven niet zouden
zijn gedaan door iemand die niet een zodanige dienstbetrekking vervult
maar wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in dezelfde
positie verkeert. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de in geding
zijnde maaltijdvergoedingen alleen premievrij kunnen worden verstrekt,
indien sprake is van overwerk en de werknemers in verband met het
gebruik van een maaltijd zijn aangewezen op een restaurant of een
dergelijke eetgelegenheid. Daarvan is naar het oordeel van gedaagde in
het onderhavige geval sprake in geval van incidenteel en onvoorzienbaar
overwerk van minimaal twee uur in aansluiting op de voor de werknemer
gebruikelijke arbeidstijd, en de werkdag eindigt na 19.00 uur.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe dat de aangevallen
uitspraak vernietigd dient te worden aangezien appellante de mening is
toegedaan dat de aan haar werknemers verstrekte maaltijdvergoedingen
niet als bovenmatig zijn aan te merken. Daartoe is aangevoerd dat de
maaltijdvergoedingen alleen worden verstrekt in geval van onvoorzienbaar
overwerk van tenminste 2.5 uur in aansluiting op doordeweekse werkdagen
van 8 uur en indien op zaterdagen en zondagen tenminste 2.5 uur is
gewerkt, waarmee de ter zake geldende CAO wordt gevolgd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) vormt al hetgeen uit dienstbetrekking wordt
genoten loon. Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in
artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k (oud), van de CSV, waarin is
bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht
kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van
loon.
Gegeven het uitzonderingskarakter van de bepaling over onkosten ten
opzichte van de hoofdregel, ligt het op de weg van degene die een beroep
doet op deze bepaling, aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich
voordoet.
De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat
de maaltijdvergoedingen ter dekking van reële kosten hebben gestrekt.
Uit de door appellante in beroep overlegde stukken valt niet op te maken
dat de aan haar werknemers betaalde maaltijdvergoedingen strekken tot
vergoeding van onkosten die voor de uitoefening van de dienstbetrekking
noodzakelijk en onvermijdelijk zijn. Dat appellante, naar van haar kant
wordt gesteld, uitsluitend maaltijdvergoedingen heeft verstrekt in
overwerksituaties welke ook door de CAO als zodanig worden aangemerkt,
doet aan het vorenstaande niet af.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat appellante niet heeft voldaan
aan de op haar ingevolge artikel 10, tweede lid, van de CSV rustende
verplichting. Ingevolge artikel 12 van de CSV dient gedaagde, indien de
werkgever niet, niet juist of niet volledig aan deze verplichting heeft
voldaan ambtshalve de verschuldigde premie vast te stellen en deze te
verhogen met een boete.
Aan de oplegging van de boete ligt het standpunt van gedaagde ten
grondslag dat het niet juist of niet volledig voldoen aan de in artikel
10 van de CSV bedoelde verplichting tot het doen van loonopgave, in het
onderhavige geval het gevolg is van opzet en/of grove schuld. Aangezien
het een eerste verzuim betrof, is de aan appellante opgelegde boete
overeenkomstig het bepaalde in het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet
(ABC-besluit), zoals nadien gewijzigd, juncto het Besluit toepassing
administratieve boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering, gematigd tot
25%.
Namens appellante is gesteld dat ten onrechte een boete is opgelegd
omdat haar geen blaam treft, nu zij de CAO-bepalingen ter zake heeft
gevolgd.
De Raad onderschrijft te dien aanzien het oordeel van de rechtbank dat
in casu sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van appellante.
Daartoe overweegt de Raad dat een werkgever zich er in het algemeen
bewust van zal moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van
twijfel ligt bij de werkgever echter de verantwoordelijkheid ter zake
informatie in te winnen bij gedaagde. Dit klemt te meer in gevallen als
de onderhavige gelet op de bewijsvoering die ten grondslag ligt aan
artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k (oud), van de CSV. Appellante
heeft zulks niet gedaan. Gelet op deze omstandigheid heeft gedaagde
terecht opzet en/of grove schuld aangenomen. Voorts acht de Raad de
opgelegde boete noch in absolute zin, noch in relatieve zin onevenredig.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H.G.
Rottier en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2
oktober 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|