|
Uitspraak
00/5187
CSV en 00/5196 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[naam woningbouw 1], gevestigd te [vestigingsplaats];
[naam woningbouw 2], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluiten van 15 oktober 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten van 3 februari
1998, waarbij appellanten op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de
betaling van premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten
over de jaren 1994 tot en met 1996 tot een bedrag van f 20.994,29 (€
9.526,84) respectievelijk f 4.678,23 (€ 2.122,90) verschuldigd door
Komi Amstelstad Dienstverlening B.V. (hierna te noemen: Komi B.V.).
De rechtbank Amsterdam heeft de tegen deze besluiten namens appellanten
ingestelde beroepen bij uitspraken van 24 augustus 2000 ongegrond
verklaard.
Namens appellanten is prof. dr. B.G. van Zadelhoff, werkzaam bij Meyburg
& Co, belastingadviseurs te Amstelveen, op bij schrijven van 2
oktober 2000 aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger
beroep gekomen.
Namens gedaagde is bij schrijven gedateerd 15 november 2000 van verweer
gediend in beide zaken.
De gedingen zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting
van de Raad, gehouden op 5 juni 2003, waar partijen niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Appellanten zijn woningbouwvereningingen die blijkens hun statuten als
doelstelling hebben het stichten en exploiteren van woningen. Voor de
uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden in de gemeenschappelijke ruimtes
van de diverse woningcomplexen hebben appellanten voor de jaren 1994 tot
en met 1996 overeenkomsten gesloten met Komi B.V.. De
schoonmaakwerkzaamheden bestaan uit het afvoeren van huisvuil, het
stofzuigen en schrobben van galerijvloeren, het uitspuiten en lappen van
ramen van de trappenhuizen, het reinigen van de galerijbalkons en het
schoonmaken van de liftvloeren en - wanden. Voornoemde werkzaamheden
werden door Komi B.V. variërend van eenmaal per week tot eenmaal in de
acht weken tussen 07.00 en 17.00 uur verricht. Bij het verrichten van de
werkzaamheden werd door Komi B.V. gebruik gemaakt van eigen personeel en
materiaal.
Onderzoek van gedaagde, voortvloeiende uit het faillissement van Komi B.V.
per 1 oktober 1996, heeft uitgewezen dat Komi B.V. in gebreke is gebleven
met het voldoen van premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten over de jaren 1994 tot en met 1996 en dat
gezien de hoogte van de schulden van Komi B.V. en de aanwezige
boedelactiva, de aanzienlijke schulden niet geheel kunnen woren voldaan.
In verband hiermee heeft gedaagde appellanten op grond van artikel 16b
van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze premies. Daarbij
heeft gedaagde appellanten aangemerkt als zogeheten
"eigenbouwers", als bedoeld in artikel 16b, derde lid, aanhef
en onder b, van de CSV.
Op grond van deze wetsbepaling wordt met een aannemer gelijk gesteld
degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben
gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn
bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert.
Bij de aangevallen uitspraken, waarin appellanten zijn aangeduid als
eiseres en gedaagde als verweerder, heeft de rechtbank het volgende
overwogen:
"Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 16b, derde
lid, aanhef en onder b, van de CSV is er voor de bepaling van de
reikwijdte van de wet gekozen om gebruik te maken van het begrip
'aannemer' met een eigen zelfstandige betekenis. Derhalve is geen
aansluiting gezocht bij begrippen welke met betrekking tot het
verrichten van arbeid buiten dienstbetrekking in het Burgerlijk Wetboek
(hierna: BW) worden gebruikt. Met de keuze van het ruime criterium
'uitvoeren van een werk van stoffelijk aard' is dan ook beoogd alle
sectoren van het economische leven onder de werkingssfeer van deze wet
te brengen. Niet als werk van stoffelijk aard zijn te beschouwen alle
werken of producten welke door een in hoofdzaak geestelijke of
intellectuele arbeid tot stand komen. Voorts zullen blijkens de
wetsgeschiedenis onderhoudswerkzaamheden al snel tot de normale
bedrijfsuitvoering behoren, indien er sprake is van activiteiten die
rechtstreeks samenhangen met de hoofdactiviteit van het bedrijf, te
weten de activiteiten waarmee het bedrijf zich op de markt beweegt. Dit
is zeker het geval bij ondernemingen die op de onroerendgoedmarkt
actief zijn en onderhoud aan gebouwen (laten) verrichten. Ten slotte kan
er blijkens de wetsgeschiedenis, hoewel een bedrijf niet zelf de
werkzaamheden uitvoert, toch van eigenbouwerschap sprake zijn, indien de
algehele leiding bij het tot stand brengen van de werkzaamheden bij het
bedrijf berust. Hoewel de Hoge Raad in zijn arrest van 8 april 1998
heeft overwogen dat in het kader van civielrechtelijke begrip 'aanneming
van werk' schoonmaakwerkzaamheden geen werkzaamheden van stoffelijke
aard zijn, hanteert de in artikel 16b, derde lid, aanhef en onder b, van
de CSV neergelegde Wet Ketenaansprakelijkheid een ruim autonoom
criterium dat niet parellel loopt met de bepalingen van het BW. Gelet op
dit ruime autonome criterium dient er naar het oordeel van de rechtbank
vanuit gegaan te worden dat in het kader van artikel 16b, derde lid,
aanhef en onder b, van de CSV schoonmaakwerkzaamheden het uitvoeren van
een werk van stoffelijke aard betreffen. De door Amstelland in het
onderhavige geval verrichte werkzaamheden betreffen derhalve
werkzaamheden van stoffelijke aard. Voorts behoren blijkens vaste
jurisprudentie ter zake van de CRvB - verwezen zij onder meer naar de
uitspraak vam 2 juni 1993, gepubliceerd in RSV 1994/148 - bij
ondernemingen die zich bezig houden op de onroerendgoedmarkt, inclusief
woningbouwverenigingen, onderhoudswerkzaamheden tot de normale
bedrijfsuitoefening. Nu de CRvB in zijn uitspraak van 10 april 1991,
gepubliceerd in RSV 1992/13, heeft overwogen dat het reinigen van
productieruimten, machines en voor aan- en afvoer gebruikte kratten naar
aard en inhoud beschouwd kan worden als het onderhouden van
bedrijfsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat
schoonmaakwerkzaamheden beschouwd kunnen worden als
onderhoudswerkzaamheden. De door Amstelstad verrichte
schoonmaakwerkzaamheden moeten ook in dit geval worden geacht te behoren
tot de normale bedrijfsuitvoering van eiseres. De rechtbank acht hierbij
van belang dat de schoonmaakwerkzaamheden zijn ingepast in de
bedrijfsvoering van eiseres en zeer regelmatig en veelvuldig
plaatsvonden.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, hoewel eiseres de
schoonmaakwerkzaamheden niet zelf uitvoerde, het er voor gehouden moet
worden dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de
werkzaamheden bij haar berustte. Blijkens de tussen eiseres en
Amstelstad afgesloten overeenkomsten diende Amstelstad op de in deze
overeenkomsten bepaalde tijdstippen de daarin aangegeven werkzaamheden
te verrichten. Tevens diende Amstelstad blijkens voornoemde
overeenkomsten de door eiseres gegeven aanwijzingen op te volgen. De
rechtbank merkt daarbij op dat de stelling van eiseres dat niet zij maar
de bewonerscommissie bepaalde of, en zo ja, welke
schoonmaakwerkzaamheden dienden te worden verricht, geen steun vindt in
de stukken. De rechtbank wijst erin dit verband op dat de bewonerscommissie geen partij is bij de overeenkomsten en dat ook
anderszins niet is gebleken dat de bewonerscommissie op het afsluiten van
de overeenkomsten of op de inhoud daarvan invloed heeft gehad. Hoewel
eiseres kan worden nagegeven dat de feitelijke bemoeienis met de
schoonmaakwerkzaamheden gering was, doet dit aan het voorgaande niet
af. De rechtbank acht hierbij van belang dat bij deze werkzaamheden naar
hun aard veelal met toezicht kan worden volstaan. De rechtbank merkt
verder op dat zij van oordeel is dat de desbetreffende
schoonmaakwerkzaamheden verhuurderonderhoud betreffen en geen
huurdersonderhoud. Gesteld noch gebleken is immers dat de huurders naast
de woningen tevens galerijen, trappenhuizen en liften gehuurd hebben,
zodat het reinigen van deze ruimten naar het oordeel van de rechtbank
geacht moet worden te behoren tot de verantwoordelijkheid van de
eigenaar van het onroerend goed, te weten eiseres. Gelet op het
voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht
aansprakelijk heeft gesteld voor de door Amstelstad onbetaald gelaten
premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten."
Appellanten kunnen zich hiermee niet verenigen. Zij hebben daarbij
benadrukt dat de in deze zaken aan de orde zijnde
schoonmaakwerkzaamheden niet behoren tot de onderhoudswerkzaamheden,
welke worden uitgevoerd in de normale bedrijfsuitoefening van de
woningcorporaties. De door appellanten aan Komi B.V. opgedragen
werkzaamheden betreffen zogenoemd huurders-/bewonersonderhoud. Het
personeel dat door Komi B.V. werd ingezet, stond dan ook niet onder
leiding van appellanten, zodat van " eigenbouwerschap" met
betrekking tot de schoonmaakwerkzaamheden dan ook geen sprake kan zijn.
Ten slotte zijn zij van oordeel dat het schoonmaakwerk niet als werk van
stoffelijke aard kan worden beschouwd en daarbij is verwezen naar het
arrest van de Hoge Raad (HR) d.d. 8 april 1998, nr. 32 489, welke is
gepubliceerd in BNB 1998/210.
Gedaagde blijft zich op het standpunt stellen dat de door appellanten
aan Komi B.V. uitbestede schoonmaakwerkzaamheden passen binnen de
normale bedrijfsuitvoering van een woningcorporatie. Immers, de
schoonmaakwerkzaamheden zijn gericht op het onderhoud van de huizen en
gebouwen. Nu Komi B.V. op bepaalde tijdstippen de werkzaamheden diende
te verrichten en zij de door appellanten gegeven aanwijzingen ook diende
op te volgen berustte de algemene leiding bij het tot stand brengen van
de werkzaamheden bij appellanten. Gedaagde blijft van oordeel dat
schoonmaakwerkzaamheden verhuurderonderhoud betreffen. Het reinigen van
de gemeenschappelijke ruimtes behoort tot de verantwoordelijkheid van de
woningbouwverenigingen, nu de huurders naast hun woningen niet ook deze
ruimtes hebben gehuurd.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 16b, derde lid, aanhef en onder b, van de CSV wordt
met een aannemer gelijk gesteld degene die zonder daartoe van een
opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de
normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard
uitvoert.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de schoonmaakwerkzaamheden het
uitvoeren van een werk van stoffelijke aard betreft.
Appellanten hebben dit oordeel in hoger beroep bestreden onder
verwijzing naar het arrest van de HR van 8 april 1998, gepubliceerd in
BNB 1998/210.
Het beroep op dit arrest treft evenwel geen doel. De HR heeft in dit
arrest slechts in het kader van het civielrechtelijk begrip 'aanneming
van werk' geoordeeld dat schoonmaakwerkzaamheden geen werkzaamheden van
stoffelijke aard zijn.
De Raad sluit zich - verwezen wordt hierbij onder meer naar de uitspraak
van 6 april 2000, gepubliceerd in USZ 2000/156 - aan bij het arrest van
de HR van 6 december 1996, nr. 16.127, gepubliceerd in NJ 1997/218,
waarbij in een fiscale procedure over het met artikel 16b, derde lid,
onder b, van de CSV overeenkomend artikel 35 van de Invorderingswet 1990
is geoordeeld dat de Invorderingswet daarbij een autonoom criterium
hanteert. Hiermee is beoogd in het algemeen alle sectoren van het
economisch leven onder de wet te brengen. Als voorbeelden van gevallen
die buiten de werking van de wet vallen, worden slechts genoemd werken
of producten die door een in hoofdzaak geestelijke of intellectuele
arbeid tot stand komen, en overeenkomsten waarbij men zich niet in de
eerste plaats verbindt tot het verrichten van arbeid, zoals de
vervoersovereenkomst.
Gezien deze ruime uitleg komt de Raad tot de conclusie dat in het
onderhavige geval de schoonmaakwerkzaamheden het uitvoeren van werk van
stoffelijke aard betreffen.
Vervolgens is de vraag aan de orde of appellanten ter zake van de
onderhavige uitbestede schoonmaakwerkzaamheden aangemerkt kunnen worden
als "eigenbouwer" in de zin van artikel 16b, derde lid, van de
CSV.
Blijkens de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 16b van de CSV
kan toepassing van artikel 16b, derde lid, van de CSV in de eerste
plaats aan de orde komen wanneer een bedrijf een deel van de
werkzaamheden die rechtstreeks samenhangen met, of verbonden zijn aan de
eigenlijke hoofdfunctie, uitbesteedt. In dergelijke gevallen wordt voor
de beoordeling van de vraag of sprake is van - ondanks uitbesteding -
" in de normale uitoefening van het bedrijf uitvoeren" gekeken
naar de functie van het bedrijf, de activiteit, het product (hoofd - en
eventuele nevenproducten) waarmee het bedrijf op de markt opereert en de
plaats die de uitbestede werkzaamheden in de totstandkoming van het
product de economische activiteit innemen en zal in veel gevallen
aansluiting gezocht kunnen worden bij de statutaire doelomschrijving.
Daarnaast kan echter - gewezen wordt op het bij de Memorie van
Toelichting bij de Wet ketenaansprakelijkheid behorende advies van de
Sociale Verzekeringsraad, de resolutie van de Staatssecretaris van
Financiën van 25 juli 1988 en het arrest van de HR van 29 augustus
1990, nr. 26 638, gepubliceerd in BNB 1990/301 - tevens tot de normale
bedrijfsuitoefening behoren " het vervaardigen, onderhouden en
herstellen van bedrijfsmiddelen", wanneer deze activiteiten worden
beperkt tot de eigen bedrijfsmiddelen. Daarbij zal aan de hand van
feiten en omstandigheden per individueel bedrijf bezien dienen te worden
of ten aanzien van een uit te voeren werk van stoffelijke aard sprake is
van een eigenbouwer. De Staatssecretaris van Financiën heeft in de
resolutie van 25 juli 1988 een nadere invulling gegeven aan de
"normale bedrijfsuitoefening" bij woningcorporaties.
Woningcorporaties en andere zogenoemde toegelaten instellingen oefenen
naar zijn oordeel een bedrijf uit. Met betrekking tot de
onderhoudswerkzaamheden moet daarbij onderscheid worden gemaakt tussen
situaties waarin de corporatie het onderhoud (mede) met eigen werknemers
pleegt uit te voeren en de situaties waarin dat niet het geval is. In
het eerste geval zal van eigenbouwerschap sprake zijn voorzover
onderhoudswerk wordt uitbesteed; in het laatste geval is de corporatie
in de regel geen eigenbouwer.
Nu niet is betwist dat appellanten alle schoonmaakwerkzaamheden met
betrekking tot de gemeenschappelijke ruimtes altijd geheel en al door
Komi B.V. hebben laten uitvoeren en dat appellanten voor deze
werkzaamheden geen eigen uitvoerend personeel in dienst hebben, kan
reeds op die grond niet worden aangenomen dat deze werkzaamheden behoren
tot haar normale bedrijfsuitoefening.
De Raad voegt aan het vorenstaande nog toe dat naar zijn oordeel de
algemene leiding bij het tot stand brengen van de
schoonmaakwerkzaamheden niet bij appellanten berust.
Het enkele feit dat in de met Komi B.V. gesloten contracten ten aanzien
van de schoonmaakwerkzaamheden afspraken zijn gemaakt over de
tijdstippen waarbinnen deze werkzaamheden verricht moesten worden,
alsmede dat in deze contracten melding wordt gemaakt van controle, biedt
onvoldoende aanknopingspunten voor een - algehele - leidinggevende
invloed vanwege appellanten op evenbedoelde arbeidsverrichtingen. Mede
gelet op het arrest van de HR van 15 oktober 1986, nr. 23 830, BNB
1987/43 dient naar het oordeel van de Raad binnen de bedrijven van
appellanten in elk geval enige aanwijsbare professionele deskundigheid
ten aanzien van de betrokken werkzaamheden aanwezig te zijn, die verder
gaat dan de deskundigheid van een "normale opdrachtgever".
Daarvan is de Raad in casu niet gebleken.
Het vorenstaande leidt er toe dat de in de aanhef van deze rubriek
opgeworpen vraag ontkennend dient te worden beantwoord.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. De
onderhavige zaken vallen aan te merken als samenhangende zaken in de zin
van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb),
welke gelijktijdig ter behandeling aan de orde zijn gesteld ter zitting
van de Raad. Het gaat om twee identieke besluiten van gedaagde op grond
van een overeenkomend feitencomplex, het hoger beroep is bij de Raad in
beide zaken namens appellanten gelijktijdig ingesteld en de
werkzaamheden van de gemachtigde van appellanten konden in deze zaken
identiek zijn.
In gevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken
voor de vaststelling van de kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd waarbij, gelet op de
Bijlage, behorend bij het Bpb, vanwege de omstandigheid dat sprake is
van twee samenhangende zaken een wegingsfactor van één geldt. Deze
kosten worden begroot op € 966,00 voor verleende rechtsbijstand.
De Raad beslist mitsdien als hierna in rubriek III van deze uitspraak is
weergegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten, in eerste
aanleg tot een bedrag groot € 644,00 en in hoger beroep tot een bedrag
groot € 322,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellanten het gestorte recht van € 993,78 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E.
Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|