|
Uitspraak
01/1410
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, op bij
beroepschrift van 28 februari 2001 aangegeven gronden, bij de Raad in
hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Roermond onder
dagtekening 25 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is bij schrijven van 22 augustus 2001 van verweer
gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 september
2003, waar voor appellante is verschenen mr. B.T.G.M. Lamers, advocaat
te Venlo, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P.
Bourne, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Op 18 mei 1993 heeft bij maatschap [naam maatschap] een looncontrole
plaatsgevonden over de jaren 1988 tot en met 1991. De looninspecteur
heeft geconcludeerd dat er in 1989 en 1990 is geschoven met de
arbeidsperioden. Tevens heeft appellante betalingen gedaan aan, zo zij
stelt, zelfstandig werkende Ieren die via Cordreel LTD te Dublin werden
bemiddeld. Voor hen wordt door gedaagde verzekeringsplicht aangenomen.
Op 24 november 1993 heeft de belastingdienst een onderzoek verricht naar
de aangiften loonbelasting over de jaren 1990 tot en met 1992. De
belastingdienst heeft onder meer geconstateerd dat er meer lonen zijn
uitbetaald dan verantwoord en dat deze ten onrechte op de
grootboekrekeningen privé zijn geboekt.
Vervolgens zijn op 15 december 1994 premienota's over 1989 en 1990 aan
appellante toegezonden met betrekking tot betalingen aan
gelegenheidswerkers.
Naar aanleiding van de controle van de belastingdienst heeft gedaagde op
17 juni 1996 nadere nota's aan appellante gezonden met betrekking tot
privé-boekingen.
Tegen de correctienota's is namens appellante een bezwaarschrift
ingediend. Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar voor
zover gericht tegen het achterwege laten van de WAO-franchise gegrond
verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd
voorzover daarbij niet is aangegeven het bedrag waarmee de premienota's
zijn gecorrigeerd door het alsnog toepassen van de WAO-franchise, en
voorzover bij dat besluit de redelijke termijn als bedoeld van artikel 6
EVRM is overschreden. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat gedaagde een
nader besluit dient te nemen.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd:
- dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar tegen de tenaamstelling
heeft verworpen. De besloten vennootschap kan niet gezien worden als een
rechtsopvolger onder algemene titel van de maatschap;
- dat voor de schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM
onvoldoende compensatie wordt geboden door het afzien van de verschuldigde
wettelijke rente;
- dat de gelegenheidswerkers waar appellante regelmatig een beroep op
deed geen werknemers in dienstbetrekking waren, zodat deze personen ook niet in de
salarisadministratie waren opgenomen;
- dat ten onrechte is nageheven naar aanleiding van een onderzoek van de
belastingdienst;
- dat door toepassing van het anoniementarief niet van een reëel
premieloon wordt uitgegaan;
- dat op premieloon de WAO- en pensioenfranchise dient te worden
toegepast.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad is van oordeel dat appellantes grief dat de tenaamstelling
onjuist zou zijn dient te falen. Ter zitting van de Raad heeft gedaagde
verklaard dat bij het overnameonderzoek een verklaring is ondertekend
door appellante waarbij de rechten en plichten voortvloeiende uit de
bestaande inschrijving zullen worden overgenomen door de nieuwe
onderneming. Met deze verklaring kan volgens de Raad de besloten
vennootschap gezien worden als een rechtsopvolger onder algemene titel
van de maatschap.
Wat betreft het beroep op overschrijding van de redelijke termijn, is de
Raad van oordeel dat volgens vaste jurisprudentie dit voldoende wordt
gecompenseerd doordat de rente niet betaald hoeft te worden.
Met betrekking tot de grief van de gelegenheidsarbeiders, sluit de Raad
zich aan bij wat de rechtbank hierover heeft opgemerkt in de aangevallen
uitspraak.
De rechtbank overweegt als volgt, waarbij appellante is aangeduid als
eiseres en gedaagde als verweerder:
"Gelet op hetgeen verweerder heeft aangevoerd moet het ervoor
worden gehouden dat zich hier niet de problematiek voordoet die in de
betreffende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep aan de orde was
en dat er ook geen sprake was van met terugwerkende kracht alsnog
opleggen van premienota's althans niet in de zin zoals de gemachtigde
van eiseres heeft aangegeven. Er is in deze sprake van het opleggen van
aanvullende premienota's nadat middels onderzoek was vast komen staan
dat eiseres een onjuiste toepassing had gegeven aan de
scholierenregeling en een correctie van het premiebedrag naar het bedrag
dat eiseres verschuldigd zou zijn als zij juiste opgave had
gedaan."
De grief van appellante dat ten onrechte is nageheven naar aanleiding
van een onderzoek van de belastingdienst dient ook te falen. Gedaagde
kon naar aanleiding van het onderzoek van de belastingdienst nadere
premies heffen omdat de premies niet verjaard zijn en gedaagde niet
heeft aangegeven dat niet meer tot premieheffing zou worden overgegaan.
Gedaagde heeft geen ondubbelzinnige uitlatingen gedaan waarop appellante
kon vertrouwen dat er geen premies meer geheven zouden kunnen worden.
Inzake de toepassing van het anoniementarief deelt de Raad het oordeel
van de rechtbank en gedaagde. De Hoge Raad heeft in het arrest van 5
februari 1997, nr. 291, gepubliceerd in RSV 1997/173, geoordeeld dat dit
tarief ook in het kader van de vaststelling van de premie
werknemersverzekeringen toegepast dient te worden, slechts dan indien de
omstandigheden daartoe nopen. Aangezien uit de gedingstukken naar voren
komt dat appellante betalingen heeft gedaan aan anonieme werknemers
onder omstandigheden die verhaal op die werknemers van de ten onrechte
achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten, is gedaagde
terecht tot brutering met het anoniementarief overgegaan.
Ter zitting is van de kant van gedaagde bevestigd dat op het premieloon
de WAO- en pensioenfranchise is toegepast zodat dit punt geen verdere
bespreking behoeft.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover
deze in hoger beroep is aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H.G.
Rottier en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6
november 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|