|
Uitspraak
00/6529
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 april 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het
besluit van 22 oktober 1998, waarbij zij op grond van artikel 16d van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is
gesteld voor de door de Horeca Onderneming "[naam horeca
onderneming]" B.V. (hierna: [naam horeca onderneming])
verschuldigde, doch niet betaalde premie en boete voor de sociale
werknemersverzekeringswetten over de jaren 1995 tot en met 1997, zulks
ten bedrage van f 67.334,56 (€ 30.555,09).
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 13 november 2000 het namens
appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is bij gemachtigde, mr. W.H.M. Cnossen, advocaat te Kampen,
op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van gedaagde van 16
juni 2003 heeft de Raad gedaagde toestemming gegeven alsnog een
hoorzitting te houden. Bij brief van 22 juli 2003 heeft gedaagde laten
weten dat hetgeen op de inmiddels op 2 juli 2003 gehouden hoorzitting
naar voren is gekomen hem geen aanleiding heeft gegeven van zijn
standpunt terug te komen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 augustus
2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Cnossen voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F.L.M.
Schütz, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is van 2 mei 1995 tot 14 februari 1997 statutair en feitelijk
bestuurder geweest van [naam horeca onderneming]. Op 14 februari 1997 is
[naam horeca onderneming] failliet verklaard. Op 13 februari 1997 is
namens [naam horeca onderneming] een melding van betalingsonmacht gedaan
aan (destijds) de bedrijfsvereniging voor de Horeca.
Bij haar aantreden als bestuurder op 2 mei 1995, als opvolgster van haar
broer, trof appellante een verwaarloosde administratie aan. Omdat
onvoldoende inzicht bestond in betaalde lonen, afgedragen loonheffing en
premies is op initiatief van appellante in 1995 contact gezocht met de
belastingdienst, met het verzoek een boekenonderzoek in te stellen. Naar
aanleiding hiervan heeft de fiscus een naheffingsaanslag opgelegd. De -
gematigde - aanslag is, tegen finale kwijting, betaald uit de middelen
voortgekomen uit de verkoop van het bedrijfspand met ondergrond. Begin
1997 heeft de (toenmalige) bedrijfsvereniging aan [naam horeca
onderneming] een navordering terzake van verschuldigde premies en boetes
opgelegd. Daar de vennootschap deze navordering niet kon opbrengen,
heeft zij haar faillissement aangevraagd. Van de door [naam horeca
onderneming] verschuldigde premies en boetes is een bedrag van f
67.334,56 (€ 30.555,09) onbetaald gebleven. Voor dit bedrag is
appellante, als bestuurder van de vennootschap, bij besluit van 22
oktober 1998 hoofdelijk aansprakelijk gesteld.
De Raad overweegt als volgt.
Op grond van artikel 16d, derde lid, van de CSV rust op gedaagde de
plicht aannemelijk te maken dat het niet betalen van de premie of de
voorschotpremie het gevolg is van aan appellante te wijten kennelijk
onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het
tijdstip van de mededeling van betalingsonmacht.
Gedaagde heeft in dit verband in het bestreden besluit gesteld dat door
het ontbreken van een deugdelijke administratie over de jaren 1993 tot
en met 1997 geen jaaropgaven zijn ingediend. Over de jaren 1993 en 1994
zou er sprake zijn geweest van zwartloonbetalingen op grote schaal,
terwijl over de jaren 1993 tot en met 1995 maaltijden aan medewerkers
werden verstrekt die als loon in natura in de loonadministratie hadden
moeten worden opgevoerd.
Uit het, mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde,
looncontrolerapport van 29 oktober 1996 blijkt onder meer dat de
looninspecteur de loonstaten over het jaar 1995 heeft ingezien, dat de
administratie over 1995 redelijk compleet aanwezig zou zijn en dat de
loonadministratie pas achteraf in 1996 is opgesteld aan de hand van de
uitbetaalde netto bedragen. Een ontvangstbevestiging voor het toezenden
van de jaaropgaven over 1996 bevindt zich in het dossier.
Naar ter zitting van de Raad door de gemachtigde van gedaagde is
verklaard baseert gedaagde de kennelijke onbehoorlijkheid van het
bestuur van appellante over de periode 2 mei 1995 tot 14 februari 1997
thans nog slechts op het niet indienen van de jaaropgaven over het jaar
1995.
Naar het oordeel van de Raad is, naar ook de gemachtigde van gedaagde
ter zitting van de Raad heeft erkend, in het onderhavige geval het niet
indienen van de jaaropgaven over 1995 onvoldoende grond om te kunnen
spreken van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd. Het daarop betrekking hebbende bestreden besluit
dient eveneens te worden vernietigd.
De Raad heeft in het voorgaande aanleiding gezien gedaagde te
veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met het
beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In beroep zijn
deze kosten begroot op € 644,-- en in hoger beroep op eveneens €
644,--.
Wat betreft het verzoek van appellante om vergoeding van kosten gemaakt
in de bezwaarfase overweegt de Raad als volgt.
De Raad ziet geen aanleiding gedaagde te veroordelen in de kosten die
appellante in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten
maken, omdat de overgangsbepaling bij de Wet kosten bestuurlijke
voorprocedure, welke wet op 12 maart 2002 in werking is getreden,
bepaalt dat artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die
bepaling voor genoemde datum luidde van toepassing blijft, indien het
besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt vóór in werking treden
van de wet is genomen. De Raad ziet in het onderhavige geval geen reden
te oordelen dat de besluitvorming van gedaagde dermate ernstige gebreken
vertoont dat gezegd moet worden dat gedaagde tegen beter weten in heeft
beslist.
Beslist dient te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde het betaalde griffierecht tot een bedrag van in
totaal € 104,37 (f 230,--) aan appellante vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van A.H.
Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
oktober 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|