|
Uitspraak
01/1182
CSV en 01/1183 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[naam B.V.] en [gedaagde], gevestigd c.q. wonende te [plaatsnaam],
gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de
bedrijfsvereniging voor de Kleinmetaalnijverheid.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de
rechtbank Rotterdam van 16 januari 2001, waarnaar wordt verwezen. De
rechtbank heeft de door gedaagden ingestelde beroepen gegrond verklaard
en de aan hen gerichte, bestreden besluiten van 18 april 2000
vernietigd.
Bij de bestreden besluiten heeft appellant de bezwaren van gedaagden
ongegrond verklaard en zijn de aan ieder van hen gerichte besluiten van
8 december 1999 gehandhaafd. Bij die besluiten zijn gedaagden door
appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld als bestuurders van Condaria
Nederland B.V. (Condaria) voor de door Condaria onbetaald gelaten
premies voor de werknemersverzekeringen over 1996 ad f. 8.449,34.
Namens gedaagden heeft mr. E.J.L. Mulderink, advocaat te Breda, een
verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 25 september 2003,
waar namens appellant is verschenen mr. L.M. Kos, werkzaam bij het Uwv en waar namens gedaagden is
verschenen mr. Mulderink, voornoemd.
II. MOTIVERING
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door
partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij
zijn oordeelsvorming.
De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad ten onrechte de tijdens
haar zitting gemotiveerd verwoorde stelling dat ook handelingen van na
de melding van de betalingsonmacht bij de beoordeling of sprake is van
onbehoorlijk bestuur betrokken moeten worden, ten onrechte als te laat
gevoerd buiten haar beoordeling gelaten. Appellant heeft immers naar
aanleiding van de eerder aangevoerde feiten en omstandigheden enkel een
juridisch standpunt betrokken dat voor de rechtbank mede de grondslag
had moeten vormen voor haar uitspraak. Gelet op het hierna volgende,
vindt de Raad in dit geval hierin evenwel onvoldoende aanleiding om de
aangevallen uitspraak te vernietigen.
Op grond van artikel 16d, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) is een bestuurder aansprakelijk voor onbetaald
gebleven premie, indien aannemelijk is dat het niet betalen van de
premie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk
bestuur in de periode van drie jaren voorafgaand aan het tijdstip van
mededeling van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 16d, tweede
lid, van de CSV. De mededeling van de betalingsonmacht vond plaats op 12
juni 1996.
In hoger beroep heeft appellant nog slechts aan de orde gesteld dat
enkele na 12 juni 1996 plaats gevonden handelingen, door appellant
omschreven als de verduistering van een dertigtal airconditioners door
gedaagden en de totale leegverkoop voor de helft van de prijs en zonder
deugdelijke administratie, zonder meer als onbehoorlijk bestuur zijn te
kwalificeren. In de visie van appellant zouden die handelingen, gelet op
doel en strekking van artikel 16d CSV, (mede) in de beoordeling moeten
worden betrokken.
Op zich zelf heeft appellant er terecht op gewezen dat artikel 16d CSV
strekt tot het terugdringen van misbruik van rechtspersonen die
stelselmatig premies sociale verzekeringen, belastingen en premies voor
bedrijfspensioenfondsen opzettelijk niet voldoen door de vestiging van
een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestuurder die zijn taak
kennelijk onbehoorlijk vervult en daardoor betalingsonmacht van de
rechtspersoon laat ontstaan. In het derde lid van artikel 16d van de CSV
is die aansprakelijkheid verlicht door een beperking aan te brengen in
de tijd, waarbij de wetgever er voor heeft gekozen die tijdslimiet af te
bakenen tot het moment van melding van de betalingsonmacht, daarbij
afwijkend van de in (het ontwerp voor) de artikelen 2:138 en 2:248 van
het Burgerlijk Wetboek voorgestelde afbakening tot het moment van het
faillissement. Gelet op de doelbewuste keuze van de wetgever om de in
artikel 16d, derde lid, van de CSV bedoelde termijn terug te rekenen
vanaf het moment van de melding van de betalingsonmacht, zullen, in
overeenstemming met de wettekst, gedragingen van na die melding bij de
beoordeling of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur buiten beeld
blijven, tenzij uit die gedragingen blijkt van kennelijk onbehoorlijk
bestuur dat vóór de datum van de melding is begonnen en nadien is
voortgezet.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten en met verbetering van de gronden in stand kan blijven, met
dien verstande dat de Raad appellant uitdrukkelijk zal opdragen een
nieuw besluit te nemen op het door gedaagden ingestelde bezwaar met
inachtneming van de uitspraak van de Raad.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagden in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt, met verbetering van de gronden en voor zover aangevochten, de
aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep tot
een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat van het Uwv een recht van € 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|