|
Uitspraak
01/1555
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Op 16 maart 1999 heeft gedaagde aan appellante correctienota's doen
toekomen inzake (naheffing van) premies voor de werknemersverzekeringen
over de jaren 1996 en 1997 en bij besluit van die zelfde datum is aan
appellante wegens opzettelijk onjuist gedane loonopgaven over 1996 en
1997 door gedaagde een boete opgelegd van in totaal f. 790,--, zijnde
25% van het bedrag van de naheffing over die jaren. Het daartegen
gemaakte bezwaar is bij het in dit geding bestreden besluit van 19 juni
2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 1 maart 2001 het namens
appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en namens appellante is
daartegen op in een aanvullend beroepschrift vervatte gronden hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 24
september 2001 stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 september 2003,
waar voor appellante is verschenen mr. S.C.M. Suijkerbuijk, werkzaam bij Kloostra Rechtsbijstand, en waar
namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante exploiteert een tegelzetbedrijf. Bij een looncontrole eind
1998 zijn in haar administratie facturen aangetroffen op naam van
[bedrijf 1] GmbH en [bedrijf 2] te [vestigingsplaats]. De factuur van
[bedrijf 1] ten bedrage van f. 8.431,--, gedateerd 22 november 1996 en
met als nummer 96254 heeft betrekking op tegelwerk dat in 1996 voor
appellante door verschillende tegelzetters op vliegbasis Twente zou zijn
verricht. De rekeningen van [bedrijf 2] zien op door de heer [naam
medewerker] verrichte tegelwerkzaamheden. Deze zouden in 1997 zijn
verricht op verschillende locaties. De facturen hebben als factuurdata
16 mei, 23 mei en 30 mei 1997 en hebben de opeenvolgende nummers 970501
tot en met 970505.
Gedaagde beschouwt deze facturen als vals en neemt aan dat de
betreffende werkzaamheden zijn verricht door anonieme werknemers in
dienst van appellante. Daarom is de door appellante over 1996 en 1997
verschuldigde premie opnieuw vastgesteld.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde met juistheid de
hiervoor genoemde facturen niet als echt aanvaardt.
Wat betreft de factuur van [bedrijf 1] onderschrijft de Raad de
overwegingen in de aangevallen uitspraak aangaande de geringe
professionaliteit en de merkwaardige vermenging van Nederlandse en
Duitse taal en elementen, waardoor twijfel ontstaat aan de echtheid van
die factuur. Navraag van gedaagde bij de Duitse belastingdienst heeft
geleerd dat een bedrijf met de gegevens van [bedrijf 1] in Duitsland
niet bekend is. Wel is sedert 6 augustus 1996 (tot de ambtshalve
uitschrijving op 19 januari 2001) in het door het Amtsgericht Potsdam
gehouden handelsregister ingeschreven geweest het bedrijf Spree
Baugesellschaft mbH te Wustermark, maar de gegevens van dat bedrijf (dat
tot januari 1997 zou hebben bestaan) stemmen niet volledig overeen met
die van [bedrijf 1] en de bedrijfsomschrijving (bovengrondse en
ondergrondse bouwwerken) omvat geen tegelwerkzaamheden. Voorts heeft het
Landesarbeitsamt Nordrhein-Westfalen bij brief van 31 augustus 2001 doen
weten dat bedrijf Spree Baugesellschaft mbH te Wustermark nooit heeft
beschikt over een door het arbeidsbureau uitgegeven, voor de aanmelding
van personeel voor de sociale verzekeringen benodigd aansluitingsnummer.
Appellante heeft overgelegd een (andere) factuur van [bedrijf 1] van 22
november 1996, nummer 96254 ten bedrage van f. 5.096,66. Deze factuur
dient tevens als kwitantie en betreft een deel van de werkzaamheden waar
de in de administratie van appellante aangetroffen rekening op ziet.
Met het overleggen van die factuur heeft appellante zelf te kennen
gegeven dat de in haar administratie opgenomen factuur niet juist is. De
later overgelegde, en niet in de administratie van appellante opgenomen
factuur met zelfde nummer en datum, maar een ander bedrag, kan evenmin
als echt en onvervalst worden aanvaard.
Ook de facturen van [bedrijf 2] tonen, anders dan appellante meent, niet
aan dat voor appellante in onderaanneming werkzaamheden zijn verricht.
De betreffende werkzaamheden zijn verricht door de heer [naam
medewerker]. Hij zou de facturen hebben uitgeschreven namens [naam
rechtspersoon], gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk),
een rechtspersoon die een aannemersbedrijf voerde op het adres [adres]
te [vestigingsplaats]. Deze rechtspersoon is op 21 oktober 1997 in staat van faillissement verklaard. De directrice was
[naam directrice]. Volgens appellante heeft zij de facturen van [bedrijf
2] betaald op de (privé) rekening van de directrice, ten bewijze
waarvan twee bankafschriften in kopie zijn overgelegd waaruit drie
betalingen ad f. 3.925,47, f. 3.000,-- en f. 3.513,50 blijken ter zake
respectievelijk factuur 97501 d.d. 16 mei 1997, 97503 d.d. 23 mei 1997 en 97502 d.d. 23 mei 1997 . De
facturen zijn (deels) voldaan door contante betaling aan de heer [naam
medewerker]. De betreffende facturen komen in de administratie van [naam
rechtspersoon] (hierna de [naam rechtspersoon]) niet voor en die
rechtspersoon ontkent de betreffende werkzaamheden te hebben verricht en
gefactureerd. De aangetroffen facturen verschillen ook van de rekeningen
zoals deze door de [naam rechtspersoon] werden gebruikt. Ten tijde dat
de werkzaamheden werden verricht was het bedrijf van de heer [naam
medewerker] (en hij zelf) failliet. De heer [naam medewerker] is in het
verleden betrokken geweest bij de [naam rechtspersoon] en kon over
papier beschikken waarop de [naam rechtspersoon]haar rekeningen
uitschreef. Appellante was bekend met de moeilijkheden die zich in 1997
bij de [naam rechtspersoon] voordeden. Onder deze omstandigheden heeft
gedaagde op goede gronden de hiervoor bedoelde rekeningen op naam van
Bouwservice Van Haren niet toereikend geacht voor het bewijs dat de
[naam rechtspersoon] in opdracht van appellante in onderaanneming
werkzaamheden heeft verricht en bij de heffing van premie tot
uitgangspunt gekozen dat de werkzaamheden zijn verricht door werknemers
in dienst van appellante.
De hoogte van de nageheven premie is niet betwist en met betrekking tot
de opgelegde boete heeft appellante geen afzonderlijke bezwaren naar
voren gebracht.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. Ch. de Vrey
en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|