|
Uitspraak
01/5271
CSV, 01/5272 CSV en 01/5273 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Mr. R.B.J.M. van der Linden, advocaat te Veldhoven, heeft als
gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift van 16
november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door
de rechtbank 's-Hertogenbosch op 4 september 2001, nummers 00/4961,
00/4963 en 00/4965, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2004,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. Hermsen,
kantoorgenoot van voormelde gemachtigde, en waar namens gedaagde,
daartoe opgeroepen door de Raad, is verschenen mr. P.G.J. Reurings,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van 12 januari 2000 is appellant op grond van artikel 16c
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk
aansprakelijk gesteld voor de door de gefailleerde [naam VOF 1], [naam
VOF 2] en [naam VOF 3] over respectievelijk 1998, 1998 en 1997 tot en
met 1999 onbetaald gelaten premies.
Gedaagde heeft appellants bezwaren tegen voormelde besluiten ongegrond
verklaard bij besluiten van 18 mei 2000. Appellants beroepen tegen deze
besluiten zijn in de in rubriek I vermelde uitspraak ongegrond
verklaard.
Het gaat in deze gedingen om de beantwoording van de vraag of voormelde
besluiten van 18 mei 2000 (hierna: de bestreden besluiten) in rechte
stand kunnen houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de
rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de
aangevallen uitspraak.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de
Raad nog het volgende.
Appellant stelt de hoogte van de onbetaald gelaten premies niet te
hebben kunnen herleiden en betwist de juistheid van de vastgestelde
bedragen. Appellant is in dit verband voorts van mening dat de bestreden
besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn. Gedaagde wijst op de zich onder
de gedingstukken bevindende premienota's, welke uitsluitend zijn
gebaseerd op de door appellant verstrekte gegevens, alsmede op de in
zijn brief van 22 februari 2000 gegeven specificatie van zijn vordering.
Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de opgaven aan
gedaagde werden verzorgd door zijn boekhouder. In het licht van het
voorgaande ziet de Raad in appellants, niet geconcretiseerde, betwisting
geen aanleiding gedaagdes vaststelling van onbetaald gelaten premies
voor onjuist te houden. Voorts zijn de bestreden besluiten naar het
oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd.
Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat gedaagde de
afwikkeling van de faillissementen van de voormelde vennootschappen
onder firma dient af te wachten, alvorens tot aansprakelijkstelling over
te gaan, met name nu enige betaling uit de boedel te verwachten valt.
Naar het oordeel van de Raad wijzen gedaagde en de rechtbank er terecht
op dat appellants stelling geen steun vindt in artikel 16c CSV.
Bovendien heeft gedaagde de vorderingen bij de curator ingediend, zoals
blijkt uit de brief van de curator van 16 februari 2004, en heeft
gedaagde verklaard bij de invordering van de verschuldigde bedragen
rekening te zullen houden met eventuele uit de faillissementen ontvangen
baten.
De Raad is tot slot van oordeel dat geen sprake is van onnodig talmen
van de zijde van gedaagde, nu aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden
binnen één jaar na faillissement van de vennootschappen onder firma.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|