|
Uitspraak
03/5057
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 5 november 2003
aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de
rechtbank Amsterdam onder dagtekening 3 september 2003 gewezen
uitspraak, nummer 02/4103, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp, bij
schrijven van 29 december 2003 van verweer gediend.
Namens appellant is hierop gereageerd bij brief van 27 januari 2004.
Het geding is, gevoegd met het geding onder nummer 03/5075 CSV,
behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 2004, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. de Graaf,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Siekman,
voornoemd.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij
besluit van 24 juli 2002 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft
verklaard wegens het feit dat gedaagde bij het instellen van bezwaar de
ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is
gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan
worden geoordeeld dat gedaagde niet in verzuim is geweest.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard onder vaststelling dat
het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 oktober 2001 weliswaar te
laat is ingediend, maar gedaagde als privaat persoon niet gehouden was
de wijziging in zijn privé-adres aan appellant door te geven. Derhalve
is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare
termijnoverschrijding.
Anders dan de rechtbank overweegt de Raad als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant het besluit van 23 oktober 2001 op
juiste wijze bekend heeft gemaakt door dit aangetekend te verzenden naar
het adres [adres], zijnde het adres waarop gedaagde op dat moment stond
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Voorts stelt de
Raad vast dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
Met appellant is de Raad van oordeel dat het door gedaagde aangevoerde
argument voor het te laat indienen van het bezwaarschrift in de
bezwaarprocedure geen toereikende redenen zijn om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de
Raad liggen de argumenten dat gedaagde feitelijk niet meer op voornoemd
adres verbleef en zijn ex-echtgenote, aan wie hij de behandeling van de
aan hem gerichte post had toevertrouwd, om haar moverende redenen zijn
post heeft vernietigd in de risicosfeer van gedaagde en de gevolgen
daarvan dienen voor rekening en risico van gedaagde te komen.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep en dient de
aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidend beroep
alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|