|
Uitspraak
02/1206
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij het bestreden besluit van 1 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 27 oktober 1999, waarbij hij op grond
van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam B.V.] B.V.
onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale
werknemersverzekeringswetten over de jaren 1994 en 1995 tot een bedrag
van f 208.146,65, ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 16 januari 2002, nummer
00/668 het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd, bepaald
dat gedaagde opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van
hetgeen in die uitspraak is overwogen, gedaagde veroordeeld in de
proceskosten van appellant, en gelast dat gedaagde aan appellant het
griffierecht vergoedt. Zij heeft het bestreden besluit voor het overige
in stand gelaten.
Appellant is bij gemachtigde mr. S.A. Roodhof, advocaat te Leeuwarden,
op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen voor zover daarin het beroep ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Namens appellant zijn bij brief van 23 april 2004 nadere stukken
ingezonden.
Gedaagde heeft zijn standpunt bij faxbericht van 4 mei 2004 nader
toegelicht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 mei
2004 waar partijen - na schriftelijke kennisgeving - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant was ten tijde van belang enig aandeelhouder van [naam
moederbedrijf]. [Naam B.V.] B.V. is een volle dochter van [naam
moederbedrijf]. [Naam B.V.] B.V. is door de rechtbank Leeuwarden op 22
juni 1995 in staat van faillissement verklaard. [naam moederbedrijf]. is
door diezelfde rechtbank op 11 januari 1996 in staat van faillissement
verklaard. Gedaagde heeft in 1997 in verband met het faillissement van
[naam B.V.] B.V. een gerichte looncontrole uitgevoerd met betrekking tot
de jaren 1994 en 1995. De bevindingen van die controle hebben geleid tot
het in rubriek I genoemde besluit van gedaagde van 27 oktober 1999.
Gedaagde heeft het bezwaar tegen dat besluit bij het bestreden besluit
van 1 mei 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de
aangevallen uitspraak gegrond verklaard voor zover appellant hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld voor premies en boetenota's die betrekking
hebben op de periode na het faillissement van [naam B.V.] B.V. Zij heeft
het beroep ongegrond verklaard voor zover appellant hoofdelijk
aansprakelijk is gesteld voor premies die betrekking hebben op de
periode voorafgaande aan het faillissement van deze vennootschap.
Hierbij gaat het, blijkens die uitspraak, om een bedrag van f 27.166,--.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd voor zover daarin het beroep tegen het besluit van 1 mei 2000
ongegrond is verklaard. De meest verreikende grief van appellant is dat
in de periode tot de datum van het faillissement geen sprake is geweest
van betalingsachterstand van premie- en voorschotnota's. Appellant heeft
die grief met een naar de gedingstukken verwijzende berekening
onderbouwd.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt, met dien verstande dat uit het aan de Raad
gerichte faxbericht van 4 mei blijkt dat de hoofdelijke
aansprakelijkstelling van appellant thans beperkt wordt tot een bedrag
van f 12.363,65.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk
aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is,
voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is
onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de
volgende leden van dat artikel. Het tweede lid van dit artikel bepaalt
dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld
nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan
mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het
uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en
stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam
aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid
bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van
artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk
is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg
is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode
van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling.
Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de
juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft
voldaan, een bestuurder op voet van het bepaalde in het derde lid
aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling
aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te
gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de
weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die
aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet
aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan. Ook een
gewezen bestuurder dient ingevolge het zevende lid te worden toegelaten
tot weerlegging van dit vermoeden.
Het vijfde lid bepaalt dat de bestuurder slechts kan worden
aangesproken, indien het lichaam met de betaling van de premie of de
voorschotpremie in gebreken is.
De Raad stelt vast dat namens appellant een op 16 februari 2002
gedateerde, gemotiveerde berekening van het administratiekantoor Bakema
is ingezonden, waaruit blijkt dat [naam B.V.] BV ten tijde van het
faillissement op 22 juni 1995 geen achterstand had bij de betaling van
premies en voorschotpremies. Vastgesteld moet tevens worden dat de voor
deze berekening gebruikte onderliggende gegevens steun vinden in de
specificatie bij de brief van gedaagde aan appellant van 9 september
1999. Gedaagde heeft de juistheid van deze berekening noch in zijn
verweerschrift, noch in zijn faxbericht van 4 mei 2000 gemotiveerd
weersproken en volstaan met aan te geven dat appellant met betrekking
tot de periode in geding hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor een
bedrag van f 12.363,65.
De Raad is gelet hierop van oordeel dat gedaagde niet aannemelijk heeft
gemaakt dat [naam B.V.] B.V. ten tijde van het faillissement op 22 juni
1995 in gebreke was met het betalen van premies dan wel
voorschotpremies. Hieruit volgt dat het bestreden besluit, voor zover
aangevochten, wegens ondeugdelijke motivering en mitsdien wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in
stand kan blijven, evenals de aangevallen uitspraak in zoverre.
De Raad ziet aanleiding om het bestuursorgaan te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
Derhalve moet beslist worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit
voorzover dat betrekking heeft op de aansprakelijkstelling voor premies
en/of voorschotpremies betrekking hebbende op de periode vóór 22 juni
1995;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2004.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.E. Lysen.
|
|