|
Uitspraak
01/193
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. T.J. Wolt, werkzaam bij BDO Walgemoed
CampsObers accountants te Hengelo, hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2000, kenmerk
98/6533.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 18
november 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij appellante is in het kader van een bijzondere actie van het
Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam (RIF) een looncontrole
uitgevoerd, waarbij de administratie van appellante is onderzocht en
diverse taxichauffeurs zijn gehoord. Naar aanleiding van de resultaten
van deze controle, die zijn neergelegd in het looncontrolerapport van 26
september 1994, heeft gedaagde aan appellante correctienota’s over de
jaren 1992 en 1993 opgelegd. Deze correctienota’s heeft gedaagde bij
besluit op bezwaar van 10 juli 1998 gehandhaafd, met dien verstande dat
uitgegaan moet worden van een kleiner aantal diensten dat per jaar op
een volledig rooster wordt gereden. Naar aanleiding hiervan zouden de
nota’s neerwaarts worden bijgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 10 juli 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank de conclusies van het RIF gevolgd dat appellante met
betrekking tot de jaren 1992 en 1993 niet of niet volledig heeft voldaan
aan haar verplichting tot loonopgave en dat de feitelijke loonbetalingen
aan chauffeurs niet of niet juist in de loonadministratie zijn verwerkt.
De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op basis van in
processen-verbaal vastgelegde verklaringen van (ex-)werknemers. De rechtbank acht het voorts juist dat gedaagde vanwege
het ontbreken van een deugdelijke en betrouwbare boekhouding is
overgegaan tot het schatten van het premieloon, welke schatting
bovendien door de rechtbank als niet onredelijk is aangemerkt.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Daartoe is onder meer aangevoerd dat de in de processen-verbaal
opgenomen verklaringen onvoldoende basis bieden voor de conclusie dat de
feitelijke loonbetalingen niet of niet juist zijn verantwoord in de
loonadministratie. Daarnaast kan appellante zich niet verenigen met de
extrapolatie van de onderzoeksgegevens. Ook is zij het niet eens met het
oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij zijn schatting uit mocht gaan
van een zogenoemd uitvalpercentage van 2% (uitval van diensten als
gevolg van ziekte van werknemers en reparatie en/of onderhoud van
auto’s) dat op het geschatte premieloon in mindering is gebracht.
De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank verenigen dat de
verklaringen van [naam betrokkenen] voldoende basis bieden om ten
aanzien van appellante vast te stellen dat de aan de chauffeurs
uitbetaalde lonen over de jaren 1992 en 1993 geheel of gedeeltelijk
buiten de loonadministratie zijn gehouden en dat deze lonen niet juist
of niet volledig aan gedaagde zijn opgegeven. Evenals de rechtbank maakt
de Raad uit die verklaringen op dat bij appellante sprake was van een
pachtsysteem en dat bij appellante rittenkaarten en dergelijke niet
juist werden ingevuld. Nu uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat
bij appellante exacte en betrouwbare loongegevens ontbraken, kon
gedaagde de premies bij benadering vaststellen aan de hand van een
schatting. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat gedaagde
voldoende nauwkeurig en voldoende inzichtelijk het premieloon over de
jaren 1992 en 1993 heeft geschat. Gedaagde heeft de premielonen over de
jaren 1992 en 1993 berekend aan de hand van het aan appellante
uitgegeven rooster dat - zoals ook door appellante in bezwaar is erkend
- ten tijde hier in geding - voorzag in 152 diensten per 12 weken. De
Raad stelt daarmee vast dat hier geen sprake is van extrapolatie van
onderzoeksgegevens naar andere jaren, zodat appellantes grief op dit
punt niet kan slagen. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde bij
zijn schatting uit mocht gaan van een zogenoemd uitvalpercentage van 2%.
Appellante heeft geen gegevens overgelegd waarmee haar stelling dat dit
percentage onjuist zou zijn, kan worden gestaafd. De Raad merkt
bovendien nog op dat een te hoge schatting bij het ontbreken van een
juiste administratie geheel voor risico van appellante komt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de correctienota’s kunnen worden
gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december
2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Kovács.
|
|