|
Uitspraak
02/6023
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 juni 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de
bezwaren van appellante tegen correctienota’s van 25 augustus 2000 met
betrekking tot de premiejaren 1995 tot en met 1998.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 21 oktober 2002,
kenmerk 01/2542, het namens appellante ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellante is bij gemachtigde mr. T.J. Wintermans, belastingadviseur te
Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 9 januari 2003
aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 februari 2003,
ingediend.
Hierop heeft appellantes gemachtigde mr. Wintermans, voornoemd, bij
brief van 10 september 2004 gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 oktober
2004, waar voor appellante is verschenen mr. Wintermans, voornoemd,
terwijl gedaagde, na schriftelijke kennisgeving, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een in 1997 aangevangen looncontrole is gedaagde
gebleken dat appellante aan haar werknemers een (functieafhankelijke)
vaste onkostenvergoeding per maand verstrekt heeft in de jaren 1995 tot
en met 1998.
Hoewel daartoe door gedaagde tot tweemaal toe in de gelegenheid te zijn
gesteld, is appellante er naar de mening van gedaagde niet in geslaagd
het reële karakter van de onkostenvergoeding aannemelijk te maken.
Gedaagde heeft de onkostenvergoedingen als premieloon aangemerkt en
correctienota’s tot een totaalbedrag van f. 78.684,-- opgelegd, welke
correctienota’s bij het bestreden besluit zijn gehandhaafd.
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Hiertoe heeft de rechtbank kort samengevat het volgende overwogen.
Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van
onkostenvergoedingen die niet tot het loon behoren. Hiervoor heeft de
rechtbank verwezen naar het rapport van de looninspectie van gedaagde.
Bovendien heeft de rechtbank op basis van de rapportage van de
opsporingsdienst van gedaagde, omstandigheden aanwezig geoordeeld die
maken dat niet kan worden gesproken van voldoende controleerbaarheid en
betrouwbaarheid van appellantes administratie om de onkostenvergoeding
als reëel te kunnen bestempelen.
Een aanbod ter zitting van de rechtbank gedaan om alsnog bescheiden in
het geding te brengen ter onderbouwing van de onkostenvergoeding heeft
de rechtbank gepasseerd, onder vaststelling dat, daargelaten dat dit
aanbod als tardief moet worden beschouwd, gelet op de uitlatingen ter
zitting van de kant van gedaagde, kennisneming van deze bescheiden niet
tot een ander oordeel kunnen leiden.
De Raad dient in het onderhavige geding de vraag te beantwoorden of de
aangevallen uitspraak stand kan houden.
Gelet op het ter zitting van de rechtbank gedane bewijsaanbod bestaande
in het alsnog mogen overleggen van een ordner met bescheiden, is tussen
partijen kennelijk niet in geschil dat op basis van de loonadministratie
die voorwerp vormde van het onderzoek door de looninspectie van
gedaagde, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van
onkostenvergoedingen die niet tot het premieloon behoren.
De rechtbank heeft het bewijsaanbod van appellante gepasseerd. De Raad
acht dit met inachtneming van hetgeen de rechtbank terzake heeft
overwogen terecht. Immers op grond van de gedingstukken moet vastgesteld
worden, dat sprake is van een onbetrouwbare loonadministratie. Voorts
moet niet uit het oog worden verloren dat aan de hand van de aangeboden
bescheiden, bestaande uit bonnen, niet vast te stellen valt of deze
bonnen betrekking hebben op zakelijke uitgaven van de desbetreffende
functionaris. De Raad kan gelet hierop het beroep dat van de kant van
appellante is gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2004,
LJN AR3099, niet volgen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M.
Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari
2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W.J.M. Fleskens.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van de
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen
1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen
berustende bepalingen, ingevolge de Coördinatie Sociale
Verzekeringswet.
|
|