|
Uitspraak
03/3529
CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 18 juli 2003 heeft mr. J.H. Sligchers, advocaat te
Maastricht, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door
de rechtbank Roermond op 17 juni 2003, nummer 02/1250, tussen partijen
gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2004,
waar namens appellante is verschenen J.G. Verspaij, bijgestaan door mr.
Sligchers, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. E.
Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft naar aanleiding van een door de belastingdienst ingesteld
boekenonderzoek aanvullende premienota’s aan appellante opgelegd over
de jaren 1996 en 1997. Daartoe heeft gedaagde zich op het standpunt
gesteld dat appellantes administratie ondeugdelijk is en niet als
grondslag voor de premieheffing kan dienen, waarna gedaagde is
overgegaan tot het schattenderwijs vaststellen van de premielonen. Bij
besluit van 25 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen de premienota’s ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dat
besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat gedaagde ten onrechte geen
rekening heeft gehouden met de arbeidsinzet van de vader en de
schoonvader van appellantes bedrijfsleider, die beiden gelet op hun
leeftijd - volgens appellante waren zij reeds in de in geding zijnde
jaren ouder dan 65 jaar - niet in de premieheffing betrokken mogen
worden. Appellante heeft de arbeidsinzet van de vader nader onderbouwd
middels het overleggen van urenstaten. De stelling van appellante vindt
daarnaast steun in de overige gedingstukken. In het rapport van de
belastingdienst van 27 augustus 1996 wordt melding gemaakt van
werkzaamheden van beide personen. Voorts heeft de belastingdienst de
aanwezigheid van de schoonvader geconstateerd bij een bezoek aan
appellantes rechtsvoorganger op 7 oktober 1996. Gelet op het voorgaande
acht de Raad een substantiële inzet van de vader en schoonvader in
appellantes onderneming aannemelijk. Gedaagde heeft ter terechtzitting
desgevraagd bevestigd dat de werkzaamheden van de vader en schoonvader
in de premieheffing zijn betrokken. Voorts heeft gedaagde ter
terechtzitting ten aanzien van de vader gesteld dat voldoende vaststaat
dat deze niet verplicht verzekerd was en erkend dat diens werkzaamheden
bij de premievaststelling buiten beschouwing hadden moeten blijven.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat van een zorgvuldige
schatting van de verschuldigde premie geen sprake is, zodat het besluit
van 25 oktober 2002 reeds om die reden geen stand kan houden. De
aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt
derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten
van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2002 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde recht van
respectievelijk € 218,-- en € 348,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J.
van Vulpen-Grootjans en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van
M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari
2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) M. Renden.
|
|