|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/ 4163 CSV en 03/4221 CSV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. W.H.A Bos, werkzaam bij Stichting
Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullende beroepschriften van 19
september 2003 en 25 september 2003 aangegeven gronden, nader aangevuld
bij brief van 2 juni 2004, bij de Raad in hoger beroep gekomen van de
door de rechtbank Roermond onder dagtekening 7 juli 2003 tussen partijen
gewezen uitspraken, reg.nrs. 03/49 en 03/50, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 29 oktober 2003 in beide zaken een
verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
5 januari 2005, waar namens appellante is verschenen ing. J.P.A. van
Iersel, en waar gedaagde zich - daartoe ambtshalve opgeroepen - heeft
laten vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 4 juni 1998
respectievelijk 15 november 2001 is door de looninspecteur van het Uwv
GUO bij appellante een onderzoek ingesteld met betrekking tot de jaren
1994 tot en met 1998 en 1996 tot en met 2000. Daarbij is geconstateerd
dat appellante twee fulltime medewerknemers in dienst heeft die beiden
woonachtig zijn in een dienstwoning, maar dat de huur die appellante
inhoudt op hun loon sedert 1993 niet meer geïndexeerd is en derhalve te
laag is vastgesteld.
Gedaagde heeft, zich daarbij baserend op de Woz-waarde van de twee
panden, het verschil tussen hetgeen wordt ingehouden op het loon van de
desbetreffende werknemers ter zake van huur en de door de inspecteur
vastgestelde huurwaarde aangemerkt als loon in natura.
Bij besluiten van december 1999 en 23 februari 2001 heeft gedaagde aan
appellante correctienota’s opgelegd over het jaar 1994 en over de
jaren 1995 tot en met 1998 en bij besluit van 20 december 2001
correctienota’s opgelegd over de jaren 1999 en 2000.
Bij besluit van 22 november 2002 (hierna: bestreden besluit I) heeft
gedaagde het namens appellante tegen de genoemde besluiten van december
1999 en 23 februari 2001 gemaakte bezwaar met betrekking tot de jaren
1994 tot en met 1998 gegrond verklaard, voorzover het zich richt tegen
de op de Woz-waarde gebaseerde huurwaarde en is medegedeeld dat de
correctienota’s zullen worden verlaagd overeenkomstig de door de
fiscus vastgestelde huurwaarde. Voor het overige is het bezwaar
ongegrond verklaard.
Bij besluit van evengenoemde datum (hierna: bestreden besluit II) heeft
gedaagde het namens appellante tegen het besluit van 20 december 2001
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft de namens appellante ingestelde beroepen
tegen de bestreden besluiten I en II bij twee afzonderlijke uitspraken
van 7 juli 2003, reg.nrs. 03/49 en 03/50 ongegrond verklaard.
De Raad stelt allereerst vast dat het onderhavige geschil zich toespitst
op de vraag of de kosten van elektriciteit bij de huurwaarde betrokken
had moeten worden en of er sprake is van verjaring van de correctienota
over het jaar 1994.
In hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd met
betrekking tot de elektriciteitkosten, is in essentie een herhaling van
hetgeen in de gedingen in eerste aanleg is aangevoerd. Nieuwe
gezichtspunten zijn namens appellante dienaangaande niet naar voren
gebracht.
De Raad is van oordeel dat de bezwaren van appellante niet kunnen leiden
tot vernietiging van de bestreden besluiten en overweegt in dit verband
dat hij zich verenigt met de overwegingen die de rechtbank aan de
aangevallen uitspraken ten grondslag heeft gelegd, en maakt deze
overwegingen tot de zijne.
Voor zover namens appellante een beroep is gedaan op de
verjaringstermijn van vijf jaren ingevolge artikel 13, eerste lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) ten aanzien van de
verhoging van de correctienota over het jaar 1994, merkt de Raad het
volgende op.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV wordt premie niet meer
vastgesteld, indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het
kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, is verstreken.
Gelet op de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van de brief van
14 december 1999, waarbij zonder voorbehoud aan appellante is
medegedeeld dat naar aanleiding van de gehouden looncontrole een
correctienota opgelegd dient te worden over het jaar 1994, is in
onderhavige geval sprake van een intern bij gedaagde afgerond
besluitvormingsproces. Daaraan doet de verhoging bij nota van 23
februari 2000 niet af, temeer daar het slechts betrof een verhoging
aangaande het bedrag dat betaald diende te worden voor de
bedrijfstakfondsen en derhalve niet een verhoging van het premiebedrag
inhield.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 27 januari 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
|
|