|
Uitspraak
03/2452 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijke instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. J.A. Visscher, belastingadviseur te Meppel,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18
april 2003, reg.nr. 01/805.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 december 2004, waar voor
appellante is verschenen mr. Visscher, voornoemd, alsmede [vennoot],
vennoot van appellante, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. D.A. Rusman, werkzaam bij het Uwv. Als namens
appellante meegebrachte getuigen zijn gehoord [getuige 1], [getuige 2]
en [getuige 3].
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een Mexicaans restaurant. In het kader van een
looncontrole, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van
16 november 2000, heeft gedaagde - voorzover in hoger beroep nog
relevant - vastgesteld dat appellante aan [getuige 1] en [getuige 2] in
verband met het einde van hun dienstbetrekking per 1 september 1999 nog
loon had uitbetaald wegens een resterend recht op verlofdagen. Ook is
volgens gedaagde aan [getuige 2] loon uitbetaald wegens door hem
gemaakte overuren. Nu gedaagde zich op het standpunt stelt dat over dit
loon nog premies moeten worden afgedragen, heeft hij aan appellante een
correctienota over het jaar 1999 opgelegd. Tevens heeft gedaagde
aanleiding gezien om over dat jaar een boete op te leggen.
Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2001 heeft gedaagde de correctienota
gehandhaafd en het bezwaar op dit punt ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het besluit van 7 juni 2001 beroep ingesteld,
waarbij is gesteld dat de nog openstaande verlof- en overuren van
[getuige 1] en [getuige 2] niet in loon zijn uitbetaald, maar in vrije
tijd zijn opgenomen. Ter ondersteuning van deze stelling heeft
appellante onder meer een (ongedateerde) verklaring van [getuige 2]
overgelegd. Gedaagde achtte het niet aannemelijk dat deze uren zijn
omgezet in vrije tijd. Daarbij heeft gedaagde onder meer verwezen naar
een faxbericht dat is gedateerd na het einde van het dienstverband, te
weten 4 oktober 1999, waarin de administrateur van appellante, [getuige
3], een berekening heeft gemaakt van het resterend recht op loon over
nog openstaande verlof- en overuren van [getuige 2], en waarbij tevens
twee pro-formaloonstroken zijn meegezonden, die betrekking zouden hebben
op het recht op loon van [getuige 2] en [getuige 1]. Appellante heeft
als verklaring voor deze berekening gegeven dat zij hiermee de
correctheid van de afwikkeling van vrije dagen en vakantiegeld heeft
gecontroleerd. Tevens is de loonbetaling door appellante ontkend onder
verwijzing naar een door appellante bijgehouden werkrooster en een door
[getuige 2] bijgehouden urenoverzicht, waaruit zou blijken dat in de
betreffende periode vrije dagen zijn opgenomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 7 juni 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de
rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en
voor verweerder gedaagde moet worden gelezen.
"De rechtbank acht het evenwel niet logisch dat ná afloop van een
dienstverband een berekening wordt gemaakt waarin uit wordt gegaan van
nog resterende verlof- en overwerkuren als tegelijkertijd de stelling
wordt ingenomen dat die uren nog voor het eind van het dienstverband
zijn opgenomen. Aangenomen moet worden dat de berekening is gemaakt op
basis van door eiseres verstrekte gegevens. Als de berekening
uitsluitend is gemaakt ter controle of de afwikkeling correct heeft
plaatsgevonden kan niet worden ingezien waarom daar dan nog een
berekening van de nettoloonwaarde van de resterende verlof- en overuren
op vermeld zou moeten worden als die uren voor einde dienstverband
opgenomen zijn.
Het nadere standpunt van eiseres over de opgemaakte pro-formaberekening
lijkt ook in strijd met haar eerdere stelling dat de betrokken (ex)
werknemers de resterende uren hebben opgenomen toen hen uit de
berekening duidelijk werd dat uitbetaling van de uren financieel niet
aantrekkelijk was.
Het een en ander luidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder
terecht uit de aangetroffen administratie van eiseres heeft opgemaakt
dat er voor de genoemde werknemers een vorderbaar en inbaar bedrag (in
de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de CSV) aan resterend
verlof- en overuren bestond waarover eiseres ten onrechte geen premies
heeft afgedragen. De rechtbank vindt in de verklaringen van de heer
[getuige 2] en in de na de zitting nog toegestuurde werkstaten en
overzichten onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.”
In hoger beroep heeft appellante zich tegen dit oordeel van de rechtbank
gekeerd.
Met betrekking tot de verlof- en overuren van [getuige 2] komt de Raad
tot de volgende beoordeling.
De Raad heeft op basis van de te zijner zitting afgelegde
getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], niet de overtuiging
gekregen dat het oordeel van de rechtbank als onjuist moet worden
aangemerkt. Evenals de rechtbank acht de Raad het niet aannemelijk dat
[getuige 2] de verlof- en overuren heeft omgezet in vrije tijd. De door
[getuige 2] hierover afgelegde verklaring, inhoudende dat hij tot aan de
ingangsdatum van zijn nieuwe dienstbetrekking per 1 september 1999 vrije
dagen had opgenomen, stemt niet overeen met het werkrooster en de
urenlijst, welke door appellante in beroep zijn overgelegd. De Raad is
voorts van oordeel dat appellante ook in hoger beroep geen sluitende
verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij na het einde van de
dienstverbanden nog een berekening heeft laten maken van het nog aan
[getuige 2] uit te betalen loon. De door [getuige 3] ter zitting van de
Raad daarvoor gegeven verklaring dat deze berekening ter archivering aan
appellante is opgestuurd, stemt niet overeen met de eerder door
appellante hiervoor gegeven verklaring, namelijk dat het ging om een
controleberekening. De verklaring van [vennoot] dat deze berekening
gebruikt werd als voorbeeld voor andere werknemers die uit dienst
traden, overtuigt de Raad ook niet.
Met betrekking tot de verlofuren van [getuige 1] komt de Raad tot de
volgende beoordeling.
Ook [getuige 1] heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij zijn
verlofuren in vrije tijd heeft opgenomen. Daarbij heeft hij tevens
aangegeven dat hij deze verlofuren heeft opgenomen omdat hij te kampen
had met een gebroken hand, hetgeen ook ter zitting van de Raad door
[vennoot] is bevestigd. De Raad stelt vast dat [getuige 1] in de periode
voorafgaand aan het einde van zijn dienstbetrekking wegens
arbeidsongeschiktheid niet in staat is geweest om bij appellante arbeid
te verrichten. Dit betekent dat na het einde van de dienstbetrekking van
[getuige 1] per 1 september 1999 het recht op uitbetaling van verlofuren
voor hem nog vorderbaar en tevens inbaar is geweest. Nu appellante dit
vorderbare loon mede op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) in 1999 als loon had moeten
verantwoorden in haar loonadministratie, heeft gedaagde terecht over dit
loon alsnog premies geheven.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de correctienota’s over het jaar
1999 - voorzover aangevochten - stand kunnen houden.
Omdat appellante het loon van [getuige 1] en [getuige 2] niet had
verantwoord in de loonadministratie, heeft gedaagde tevens op grond van
artikel 12, derde lid, van de CSV een boete opgelegd. De Raad stelt vast
dat appellante in bezwaar is opgekomen tegen deze boete. Nu gedaagde
deze boete niet in zijn besluit van 7 juni 2001 heeft heroverwogen,
heeft gedaagde in strijd gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, zodat dit besluit in zoverre voor
vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak komt derhalve
ook voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal op het bezwaar van
appellante tegen de boete alsnog een besluit moeten nemen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 juni 2001, voorzover daarbij geen besluit
is genomen over het tegen de opgelegde boete gemaakte bezwaar terzake
van de aan [getuige 2] en [getuige 1] gedane betalingen;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.244,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in
totaal € 552,20 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J.
van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in
tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 17 februari 2005.
(get.) mr. B.J. van der Net.
(get.) mr. L.M. Reijnierse.
|
|