|
Uitspraak
03/3454 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij beroepschrift van 15 juni 2003 heeft mr. H. Aukema, werkzaam bij Hut
& Co belastingadviseurs te Groningen, als gemachtigde van appellante
op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank Assen op 4 juni 2003, nummer
00/634, tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 2005, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr.
P. Vries, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 12 juli 2000 heeft gedaagde de aan appellante opgelegde
correctienota’s over de jaren 1994 en 1995 gehandhaafd. De aan
appellante over deze jaren opgelegde boetenota’s heeft gedaagde met
10% gematigd in verband met de lange duur van de
bezwaarschriftenprocedure. De rechtbank heeft bij de in rubriek I
vermelde uitspraak het beroep van appellante tegen voormeld besluit van
12 juli 2000 ongegrond verklaard.
Appellante heeft haar hoger beroep beperkt tot het oordeel van de
rechtbank met betrekking tot de als bovenmatig aangemerkte
onkostenvergoedingen en de boetenota’s.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde de verstrekte
onkostenvergoedingen terecht als loon heeft aangemerkt, reeds omdat een
deugdelijke onderbouwing van de door appellante als onkosten geboekte
vergoedingen volstrekt ontbreekt. Daarbij merkt de Raad nog op dat
appellante bij herhaling in de gelegenheid is gesteld de onkosten te
onderbouwen. Ook in hoger beroep is appellante blijven steken in - niet
met verifieerbare stukken gestaafde - stellingen aangaande de
aannemelijkheid van gemaakte onkosten, hetgeen naar vaste jurisprudentie
van deze Raad, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 18 november
2004, USZ 2005/26, onvoldoende is.
Met betrekking tot de opgelegde boetes overweegt de Raad het volgende.
Sedert de aankondiging van de boete op 22 november 1999 zijn inmiddels
bijna vijf jaar en vier maanden verstreken. Gedaagde heeft er in dit
verband terecht op gewezen dat vertraging in de afhandeling van de
procedure in eerste aanleg deels aan appellante te wijten is. Gelet op
het voorgaande ziet de Raad, mede gezien het feit dat gedaagde de boetes
in bezwaar reeds heeft gematigd, geen aanleiding tot een verdergaande
matiging van de opgelegde boetes vanwege de afhandelingsduur van de
onderhavige procedure.
De aangevallen uitspraak komt op grond van het voorgaande, voor zover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam
en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Renden.
|
|