|
Uitspraak
03/2912 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14
mei 2003, nummer 02/959.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 januari 2005, waar
appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Beelen en mr.
D.B. Smaalders, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Namens gedaagde zijn verschenen haar
gemachtigde [firmant 1] en [firmant 2], firmant van gedaagde.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert een shoarmazaak annex café. In februari 2002 is
vanwege appellant een periodieke looncontrole uitgevoerd bij gedaagdes
onderneming. De bevindingen van de looninspecteur zijn neergelegd in een
looncontrolerapport van 20 februari 2002. De controle had betrekking op
de jaren 1997 tot en met 2000. Daarbij is vastgesteld dat een aantal
werknemers een loon heeft ontvangen dat lager is dan het geldende
minimum CAO-loon. Appellant heeft daarin gelet op het Besluit waardering
fooien van 21 december 1989 (het Fooienbesluit) aanleiding gezien om het
premieloon te corrigeren. Voor het bepalen van de hoogte van de
correcties heeft appellant een schatting gemaakt van het voor de
betrokken werknemers geldende minimum CAO-loon.
Bij besluiten van 6 mei 2002 heeft appellant vastgesteld dat sprake is
van een eerste verzuim c.q. overtreding en correctienota’s opgelegd
over de jaren 1998 tot en met 2000 tot een bedrag van € 2.905,55. Op
13 mei 2002 zijn boetenota’s opgelegd ter hoogte van 25% van de
correcties.
Het tegen deze besluiten namens gedaagde ingediende bezwaarschrift is na
een reactie van de looninspecteur in een rapport van 18 september 2002
bij besluit van 4 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond
verklaard, met uitzondering van het bezwaar tegen de hoogte van het ten
aanzien van werknemer [naam werknemer] gehanteerde premieloon en de
daarmee verband houdende boete.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde
gegrond verklaard en het besluit van 4 oktober 2000 vernietigd en thans
appellant opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe
beslissing op bezwaar te nemen, met bepalingen over griffierecht en
proceskosten.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wat de inschaling van
de betrokken werknemers betreft, is afgegaan op de informatie van de
accountant van gedaagde. Gedaagde heeft zowel in bezwaar als in beroep
weliswaar aangevoerd dat de accountant bij gebrek aan wetenschap
onjuiste informatie heeft verschaft, doch omdat een (verplichte)
deugdelijke administratie op het gebied van bedrijfsfunctie en
functiegroep ontbrak, heeft appellant op basis van de mededelingen van
de accountant per werknemer het salaris behorende bij de functiegroep
waarin de bedrijfsfunctie is ingedeeld en het aantal functiejaren van de
werknemer moeten bepalen.
Ten aanzien van de tijdens de beroepsprocedure overgelegde verklaringen
van enkele werknemers van gedaagde, merkt appellant op dat deze achteraf
en op verzoek van gedaagde zijn afgelegd en daardoor de betrouwbaarheid
niet met zekerheid is vast te stellen.
Appellant meent dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van de
onjuistheid van de inschaling bij gedaagde dient te liggen.
Gedaagde heeft in hoger beroep aangevoerd dat het op de weg van
appellant heeft gelegen om naar aanleiding van het onderbouwde
bezwaarschrift alsnog onderzoek te doen naar de functiegroep en -jaren
van de desbetreffende werknemers.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde met het
geven van toestemming om de looncontrole buiten aanwezigheid van een der
firmanten ten kantore van haar accountant te laten uitvoeren niet haar
recht heeft verspeeld om eventuele vergissingen van haar accountant te
laten corrigeren. Het had, anders dan appellant meent, in het kader van
de volledige heroverweging in de bezwaarfase op zijn weg gelegen om de
bezwaren van gedaagde ten aanzien van de functiegroep en -jaren van de
betrokken werknemers nader te onderzoeken. De omstandigheid dat gedaagde
om haar moverende redenen heeft afgezien van een mondelinge toelichting
op haar bezwaren doet hier niet aan af. De Raad is met de rechtbank van
oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is
voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. drs. C.M.
van Wechem en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M.
Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|