|
Uitspraak
04/1123 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 26 februari 2004 heeft mr. H. Reinstra, werkzaam
bij Bureau Friesland van Rechtshulp Noord te Leeuwarden, als gemachtigde
van appellante hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Leeuwarden op 21 januari 2004, nummer 03/627, tussen partijen gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 mei 2005, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen drs.
G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 12 december 2002 heeft gedaagde het aan de aan
appellante toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ten
grondslag liggende dagloon nader vastgesteld op € 48,56. Het bezwaar
van appellante tegen voormeld besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard
bij besluit van 28 april 2003. Het tegen dit besluit ingestelde beroep
van appellante heeft de rechtbank bij de in rubriek I vermelde uitspraak
ongegrond verklaard.
Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en voert in hoger
beroep aan dat sprake is van schending van de in artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht. Voorts stelt
appellante dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is
getreden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van
artikel 7:2 van de Awb blijkt dat in deze bepaling een essentieel
onderdeel van de bezwaarprocedure is neergelegd. De Raad is in de
onderhavige zaak met de rechtbank en op de door de rechtbank gebezigde
gronden van oordeel dat voldoende vast staat dat appellante afstand
heeft gedaan van het recht om gehoord te worden. Mogelijke twijfel
omtrent de intentie van appellante, voor zover die mocht bestaan naar
aanleiding van haar telefonische mededeling aan gedaagde op 27 maart
2003, wordt weggenomen door de daarop volgende telefoongesprekken van 9
en 17 april 2003. Gedaagde mocht derhalve op grond van artikel 7:3,
aanhef en onder c, van de Awb van het horen van appellante afzien.
De Raad volgt appellante evenmin in haar stelling dat de rechtbank
buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu de rechtbank geen
gevolgen heeft verbonden aan het feit dat appellante naar haar oordeel
ter zitting niet met stukken heeft aangetoond wekelijks gedurende 34 uur
voor haar werkgever te hebben gewerkt. De rechtbank heeft uitdrukkelijk
in het midden gelaten of gedaagde terecht heeft aangenomen dat
appellante het loon heeft ontvangen voor 34 uur in plaats van 20 uur.
Daarmee is de rechtbank niet buiten de grenzen van het aan haar
voorgelegde geschil getreden.
Met betrekking tot de hoogte van het vastgestelde dagloon overweegt de
Raad dat appellante er naar zijn oordeel niet in is geslaagd aan te
tonen dat gedaagde van een te laag dagloon is uitgegaan. Appellante
heeft haar stelling, dat zij van haar werkgever giraal loon voor 20 uur
per week en daarnaast een wekelijkse contante nettoloonbetaling voor 14
uur ontving, onvoldoende onderbouwd. De door appellante in hoger beroep
overgelegde werkbonnen missen naar het oordeel van de Raad
overtuigingskracht en zien, voor zover daarin al een bewijs van
loonbetaling kan worden gezien, slechts op vier betalingen. Voorts
draagt appellantes mededeling, dat ook haar partner deels op haar naam
werd uitbetaald, niet bij aan een geloofwaardig beeld van de omvang van
haar inkomsten, waarop een dagloon kan worden berekend.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet
slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, in
tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls, als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 9 juni 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|